Debat over AIVD-bericht radicale moslims in islamitisch onderwijs

Op donderdag 4 april spraken we in de gemeenteraad van Rotterdam over het bericht van de AIVD dat radicale moslims steeds meer grip krijgen op koranscholen en moskee-internaten. Dat is bericht is zorgelijk voor de veiligheid van ons allemaal, maar in het bijzonder voor alle hardwerkende Rotterdamse moslims, die hun kinderen uit de buurt willen houden van dat soort gevaarlijke mafkezen.

Debat over integratiebeleid

Op donderdag 21 maart 2019 spraken we in de Rotterdamse gemeenteraad over het integratie- en samenlevingsbeleid. Hierboven zie je mijn inbreng namens de Rotterdamse VVD-fractie.

Ons doel is een ontspannen stad, waarin mensen in vrijheid en gelijkwaardigheid met elkaar samenleven en als team, Team Roffa, werken aan een stad om trots op te zijn. Veiligheid en het afdwingen van onze waarden staan voorop. Om gelijke kansen voor alle etnische en culturele groepen voor elkaar te krijgen is het nodig om discriminatie aan te pakken, maar dat alleen is niet genoeg. Veel Rotterdammers moeten vooral zèlf meer verantwoordelijkheid nemen. Zonder meer betrokkenheid van ouders bij het onderwijs van de kinderen, zonder thuis meer Nederlands te gaan praten, zonder je aan te passen aan wat nou eenmaal de dominante sociaal-culturele normen in Nederland zijn, en zonder de kansen die je krijgt ook echt met beide handen te pakken, is elk overheidsprogramma op voorhand kansloos.

Laten we in Team Roffa eerlijk zijn

Dit opiniestuk is oorspronkelijk op zaterdag 16 maart in NRC Handelsblad gepubliceerd

‘Doe ‘s lief’. Zou het lukken, donderdag, als we in de meest gepolariseerde gemeenteraad van het land spreken over het integratie- en samenlevingsbeleid? De kans is klein. ‘Doe zelf‘s lief’, eerder. Bijna dertig jaar nadat Bolkestein de stilte doorbrak over de risico’s van een gebrek aan betekenisvol integratiebeleid hebben we een samenleving en een maatschappij die te vaak bepaald niet het beste in ons naar boven halen. Inmiddels voelt vrijwel iedereen zich in enige mate in zijn identiteit bedreigd of miskend, voelen velen zich vergeten en verlaten, voelen anderen zich achtergesteld en systematisch gediscrimineerd, en moet het instituut voor publieksopvoeding, SIRE, ons dus vertellen toch weer eens lief tegen elkaar te doen. Dat komt natuurlijk niet alleen, maar zeker grotendeels door hoe is omgegaan met onze sneltoenemende diversiteit.

Want laten we eerlijk zijn: we hebben te maken met de erfenis van een generatie politici van wie een deel de problemen misbruikte om verkiezingen te winnen, en dus zijn eigen achterban naar de mond praatte, en van wie een ander deel druk was de economie weer op de rails te krijgen, en dus om geen gedoe te hebben óók zijn achterban naar de mond praatte. Dat er in de klachten of het standpunt van de ander weleens iets legitiems kon zitten, is zo door veel politici lang deskundig genegeerd en is mensen lang niet verteld. Dat is de erfenis van jarenlange politiek over diversiteit: echte problemen, halve waarheden, ongedragen oplossingen. 

Als nieuwe generatie kunnen wij zelf bepalen of we die erfenis aanvaarden. We kúnnen het ook níet doen. Omdat we ons tegen de gewoonte in realiseren dat als je met zoveel mensen op zo’n klein stukje aarde woont, je noodgedwongen tot hetzelfde team behoort. In ons team, dat z’n welvaart moet verdienen in een steeds competitievere wereld, hebben we van iedereen het beste nodig. Dat we dat ook van iedereen krijgen is een gedeelde verantwoordelijkheid. 

Om te beginnen: discriminatie. Het kan wel zijn dat je ondanks discriminatie burgemeester kunt worden, maar iedere keer dat een Rotterdammer minder presteert dan wat hij in zich heeft door discriminatie, is dat een verlies voor het hele team. De handhaving van de wet moet beter, maar de overheid kan het niet alleen. We hebben ook een gedeelde verantwoordelijkheid om onszelf en elkaar te corrigeren als dat nodig is. In ons team hoort wat je presteert, altijd te gaan boven wie je bent of waar je vandaan komt. Laat naast linkse, ook rechtse politici daar zonder meel in de mond over praten en in ernst helpen deze norm te stellen en af te dwingen.

Dat werkt wel beide kanten op. Een deel van de Rotterdammers die menen te worden gediscrimineerd, is gewoon een minder goede kandidaat dan tegen wie ze het opnemen. De beste discriminatieaanpak ter wereld gaat hen dus niet helpen. Laat naast rechtse ook linkse politici daar eerlijk over zijn. Alleen wie goed is aangepast op de omstandigheden, is succesvol. Dat is geen onrecht. Niemand wordt als moderne Nederlander geboren, met alle kennis, vaardigheden en ‘soft skills’ die daarbij horen, zoals netwerken en kantoorpolitiek. Voor iedereen is het hard werken om dat te worden en van iedereen vergt dat dat je soms een deel van jezelf thuis laat. Deze competitie dwingt ons het beste uit onszelf te halen en maakt ons allemaal sterker. 

Dat laat onverlet dat het voor mensen uit families die hier al vele generaties leven gemakkelijker is dan voor wie hier relatief nieuw is. Dat er flink geld wordt uitgetrokken voor extra lesuren om kinderen met een achterstand erbij te trekken, is in het belang van het hele team. Het zou daarnaast heel goed zijn als meer Rotterdammers die succesvol zijn in de maatschappij hun kennis en ervaring beschikbaar stellen, bijvoorbeeld in een mentorprogramma. Maar dat alleen is niet genoeg. Zo is nog steeds voor slechts de helft van de Turkse en Marokkaanse ouders het Nederlands thuis de voertaal.[1]Dat zijn bewuste keuzes van volwassen mensen. Door die keuzes bouwen onze jonge teamgenootjes achterstanden op die ze nauwelijks meer zullen inhalen en het maakt de kans groter dat ze sociaal segregeren, waardoor zowel zijzelf als de rest van het team verder worden benadeeld. Daar moeten we ouders verantwoordelijk voor houden. Het zou helpen als dat niet alleen van rechtse, maar ook van linkse politici komt. 

Zelfverklaarde voorstanders van diversiteit kun je vaak horen zeggen wat een verrijking het is. Ik denk ook dat het dat kan zijn, als we bereid zijn te leren van wat superdiverse teams in bedrijfsleven en sport succesvol maakt. Eén ding delen ze allemaal: ze zijn eerlijk naar elkaar èn naar zichzelf over wat er misgaat en beter moet, en daar werken ze vervolgens compromisloos aan. Laten we daar in Team Roffa eens mee beginnen. 


[1]Sociaal Cultureel Planbureau (2016), Integratie in zicht, p.73, https://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2016/Integratie_in_zicht

Verschil mag er zijn. Toch?

Socialisme heeft in ons land nooit echt kans van slagen gehad. Daarvoor is het calvinisme te diep in onze volksaard ingesleten. Hier geldt niet ‘eerlijk zullen we alles delen’, maar ‘ieder moet z’n eigen boontjes doppen’. Die moraal, diepgewortelde persoonlijke verantwoordelijkheid, is de succesformule van ons land geweest. Bij tegenslag kijk je eerst wat je zelf anders had kunnen doen, in plaats van te klagen over een ander. En verschil dat je niet bevalt, is reden om jezelf omhoog te werken, in plaats van de ander naar beneden te trekken. Verschil moet er wezen, werd niet voor niets gezegd. We worden er allemaal beter van. In een wereld die steeds concurrerender wordt, en waarin onze welvaart steeds minder vanzelfsprekend is, doen we er goed aan om die moraal af te stoffen en te koesteren.

Want mag het verschil er nog wel wezen, tegenwoordig? En maakt het nog wel dat goede in ons los? Die vragen dringen zich de laatste tijd zo nu en dan aan me op. Zo ook toen we vorige week spraken over de stedelijke onderwijsplannen. Het grote doel is gelijke kansen voor ieder talent. Niet gek voor een stad die van iedereen het allerbeste nodig heeft, en waar het door achterstanden en tekorten nog lang niet lukt om dat ook van iedereen te krijgen. Er zijn verschillen, en die motiveren tot actie. We willen vooruit. So far so good.

Maar dan gaat het mis. In plaats van doelgericht de oorzaken van de verschillen aan te pakken, analyseren mijn linkse vrienden dat er in het onderwijs een toenemende ‘tweedeling’ is tussen kinderen van hoogopgeleide en kinderen van laagopgeleide ouders. De schuld wordt op voorhand resoluut buiten henzelf gelegd. Kinderen van hogeropgeleiden worden bevoordeeld, krijgen goede hoge schooladviezen en komen daardoor op een hoger eindniveau uit, en kinderen van lageropgeleiden worden voortdurend onderschat en kleingehouden en komen zo uiteindelijk onder hun eigenlijke niveau uit – of ze moeten het via de lange omweg die we ‘stapelen’ noemen doen. 

Kijk, natuurlijk is er verschil in de onderwijscarrières van kinderen van hoogopgeleide en van laagopgeleide ouders, en je kunt op je klompen aanvoelen dat dit verschil niet in het voordeel van de tweede groep uitpakt. Maar wat je, als je de onderzoeken induikt, ook ziet: het grootste deel van de mensen zit ergens tussenin. Die ‘tweedeling’ is een fictie. En dit beeld van de tweedeling leidt af.

Want die verschillen, waar komen die nou eigenlijk vandaan? Wat blijkt: opleidingsniveau of ‘het systeem’ veroorzaken het niet, maar gewoon ouderwets individueel gedrag. Er zijn hartstikke veel kinderen van laagopgeleide ouders waar het helemaal naar behoren mee gaat, en ook andersom. Waar het echt om gaat is de betrokkenheid van de ouders en de werkhouding die ze leren aan hun kind. Oftewel: hoe belangrijk maak je school voor je kind? Hoe betrokken ben je? Ga je naar de tafeltjesavond? Vraag je of het huiswerk af is en controleer je het ook? Spreek je thuis Nederlands? 

Het gaat dus niet om pech, om geluk, om onrecht, om rendementsdenken, om marktwerking of om welke andere reden dan ook die linkse politici kunnen bedenken om mensen maar niet op hun persoonlijke verantwoordelijkheid hoeven aanspreken. De verschillen in het onderwijs, die ‘tweedeling’ voor wie perse wil, is het resultaat van het gedrag van de ouders. Dus als we iets aan die verschillen willen doen, laten we dan daarbeginnen.

Voordat dat lukt zal er nog wat water door de Maas moeten. Want in plaats van het echte probleem bij de hoorns te vatten, hoor je linkse politici er zelfs voor pleiten om de bijl in de vrijwillige ouderbijdrage te zetten, om scholen ‘breder toegankelijk’ te maken. Die bijdrage moet gemaximeerd worden, vinden ze, en scholen moeten verplicht worden om luid en duidelijk te communiceren die hij vrijwillig en zeker niet verplicht is. Maar dat mensen de vrijwillige bijdrage niet als vrijblijvend ervaren is hartstikke terecht. En voor die bijdragen hoef je niet rijk te zijn, maar het onderwijs van je kind moet wel een hoge prioriteit voor je hebben. Dat is precies het punt ervan. En voor wie aantoonbaar het echt niet kan betalen, is er op elk van deze scholen potjes. Mag je als ouder het onderwijs van je kind zo belangrijk vinden dat je het perse naar een school wil sturen waar je dankzij de bijdrage zeker weet dat de andere ouders hun kind ook achter de reet aanzitten tot het huiswerk is gemaakt? Alsjeblieft zeg, natuurlijk. Sterker nog, daar kan de rest van de stad een voorbeeld aan nemen. En als dat gebeurt, is het vanzelf niet meer nodig.

Deze column is oorspronkelijk gepubliceerd op Dagblad010.nl

Spelen met vuur

Deel 3 van een terugblik op het Rotterdamse diversiteitsdebat in 2018

En dan zegt een politicus of activist ineens: ‘Je hebt helemaal gelijk dat je zo boos bent, jij hebt óók recht op die welvaart, maar je wordt gediscrimineerd, ze onderdrukken je, en het is nog veel erger dan je denkt, want kijk maar eens naar de patsercontrole in Rotterdam en landelijk naar het bestaan van Zwarte Piet.’ 

Zo wordt nu van volstrekt gerechtvaardigde ongelijkheid, die namelijk onlosmakelijk bij onze vrijheid hoort, onrecht gemaakt. Onrecht dat door de social justice warriors en hun verwanten uitgedrukt wordt als de systematische onderdrukking van de ene groep door een andere. 

Ten overvloede zeg ik daar gelijk bij: nee, uit helemaal niets blijkt dat verschillen in welvaart in Nederland ook maar enige causale relatie hebben met huidskleur of afkomst. Uit helemaal niets blijkt dat er daadwerkelijk sprake zou zijn van een systematische onderdrukking van groepen. Er is veel meer reden om aan te nemen dat de verschillen tussen autochtone Nederlanders onderling minstens zo groot zijn of zelfs nog groter dan tussen de groep autochtone Nederlanders als geheel en andere groepen. 

Als je naar afkomst zou kijken, geldt waarschijnlijk dat de verschillen binnen groepen in alle gevallen groter zijn dan de verschillen tussen groepen. En waar er al verschillen tussen groepen zijn, is er geen enkel bewijs voor dat die worden veroorzaakt door stelselmatige discriminatie. 

Begrijpelijke onvrede over ongelijkheid wordt zo gekanaliseerd richting boosheid over onrecht en op onze Westerse maatschappij, terwijl die onvrede juist de motor van de eigen vooruitgang zou kunnen en moeten zijn. Juist die onvrede levert de motivatie op om het vele en harde werk te doen dat het van iederéén vergt, ongeacht je afkomst. Om de concurrentie met anderen te winnen, ongeacht je afkomst. En jezelf op de maatschappelijke ladder omhoog te vechten, ongeacht je afkomst. 

Maar jongeren die ontevreden zijn en vooruit willen, krijgen nu te vaak die peptalk niet te horen. Die krijgen te vaak niet te horen dat als er ooit ergens een plek en een tijd was waarin iedereen alle middelen krijgt om z’n dromen na te jagen, dat dat wel het Nederland van vandaag is. Die krijgen te vaak niet te horen dat je, net zoals ik vroeger, bij elke tegenslag eerst naar jezelf moet kijken en dat er – zelfs als die tegenslag echt helemaal aan een ander ligt, wat bijna nooit zo is – er altijd voor jezelf een belangrijke les in zit. 

Nee, die horen nu dat ze worden gediscrimineerd, dat het zo moeilijk voor ze zal zijn dat ze zich de moeite van de poging bijna eigenlijk wel kunnen getroosten. Onder het mom van opkomen voor de zwakken of de onderdrukten, uit cynisme of uit onbezonnenheid, wordt zo het maatschappijmodel dat ons zoveel welvaart brengt steeds verder ondermijnd. 

Als dit op zichzelf niet belangrijk genoeg is, kijk dan eens uit het raam en zie wat er in de wereld aan het gebeuren is, en weet: we worden aan alle kanten bij- en ingehaald en als we niet uitkijken zijn we over twintig jaar definitief veranderd van speler in speelbal. Het Westen verbrokkelt, opkomende economieën groeien als kool, China is al bijna het machtigste land van allemaal. Als teken aan de wand schijnen de honours trajecten op onze universiteiten al vol te zitten met lui die hier kennis komen halen om elders in te zetten. Nederlanders zie je er naar verluidt nauwelijks meer, want die zijn onvoldoende gemotiveerd. 

En ondertussen liggen wij hier binnen vooral met elkaar overhoop, over goeddeels geïmporteerde, enorm opgeblazen of zelf compleet verzonnen problemen, en wordt een groot deel van de samenleving wijsgemaakt, dat ze door de rest als tweederangsburger worden gezien en dat hard werken waarschijnlijk geen zin heeft. Juist op het moment dat we z’n allen op z’n sterkst en meest eensgezind zouden moeten zijn om het tij nog te keren. Juist op het moment dat iedereen zijn afkeer van ongelijkheid zou moeten kanaliseren richting werklust, optimisme en vooruitgangsdrift. 

Is dat handig? Nee, dat is niet handig. Dat is spelen met vuur. 

Ik vraag het iedereen netjes: zullen we dit komend jaar anders doen? 

Deze column is oorspronkelijk gepubliceerd op Dagblad010.nl

De verbinders van Denk wakkeren verschillen juist aan

Deel 2 van een terugblik op het Rotterdamse diversiteitsdebat in 2018

Elke keer weer krijgt de samenleving een dreun als die wordt opgedeeld in wit en zwart, onderdrukkers en onderdrukten. De herinnering hieraan stond me scherp voor de geest tijdens de laatste vergadering van de gemeenteraad van dit jaar. Wethouder Wijbenga moest op het matje komen voor een onhandige uitspraak in de krant. Hij had onder meer gezegd dat de collega’s van Denk hem een racist vinden en zij vonden dat op hun beurt een abjecte leugen. Waar hadden zij dat dan let-ter-lijk gezegd?, wilden ze verbeten van hem weten. 

Letterlijk ‘u bent een racist’ hadden ze, tijdens het Zwarte Pietendebat waar het natuurlijk over gaat, inderdaad ook niet gezegd. Ze kijken wel uit. Maar het gevoel van Wijbenga dat ze hem een racist vinden, kun je hem niet euvel duiden. Ze hadden immers uitgebreid en met grote stelligheid betoogd dat Zwarte Piet racistisch is en dat het bevieren van Zwarte Piet een racistische traditie is. Maar wacht eens, als je mijn traditie waar ik zo van hou racistisch vindt, hoe kun je mij dat dan niet vinden? Dat is toch een logische gevolgtrekking? 

En zelfs als je dan toch iets met hen zou willen meebewegen, dan blijft staan dat juist gekozen politici, die hoog van de toren blazen over verbinding, zich moeten realiseren dat zo’n semantisch onderscheid dat in de eigen schijnbaar ivoren toren nog net te volgen is, helemaal nergens op slaat als het in de samenleving neerdaalt. Dus ook niet bij de wethouder of bij mij. Daar is de boodschap helder: u vindt mij een racist, punt uit. Zeker in de context van het bredere maatschappelijke debat erover. Anderen zijn afgelopen maanden immers nog een stuk verder gegaan en hebben Zwarte Piet neergezet als bewijs van een diepgeworteld institutioneel racisme, helemaal in lijn met de ideeënleer van Social Justice Warriors.

Pikant is dat hiermee juist de grootste bewierrokers van de diversiteit en het multiculturalisme, waarvan toch de essentie is dat verschillende perspectieven op voet van gelijkwaardigheid naast elkaar moeten kunnen bestaan, op deze manier één perspectief, het hunne, verabsoluteren. 

Opnieuw is onduidelijk of dit voortkomt uit cynisme of uit onbezonnenheid, maar zijn de gevolgen fors. Want bij heel veel Nederlanders groeit de verontwaardiging over dit zware verwijt, neemt de zin om zich eens in de ander te verdiepen af, en rijst de vraag of zwarte mensen in hun omgeving hen nu eigenlijk óók een racist vinden, met een verkramping in de omgang als gevolg. 

En omgekeerd zullen veel zwarte mensen zich afvragen of het klopt dat Zwarte Piet racistisch is en of zoveel blanke Nederlanders hen inderdaad minderwaardig vinden. Bovenal wordt huidskleur zo opeens weer heel belangrijk, waar het dat in de beleving van velen lange tijd juist steeds minder was. Terwijl Zwarte Piet, althans bij de officiële intocht, nota bene al lang en breed wordt uitgefaseerd en volgend jaar helemaal nauwelijks meer bestaat! 

De vraag is dan terecht waarom deze ideeën er toch in gaan als klokspijs? Ik ben er hoe langer hoe meer van overtuigd dat het ten diepste gaat over ongelijkheid. Of beter gezegd: over hoe we over ongelijkheid denken en ermee omgaan. Wij leven zoals u weet in een liberale democratie, met een kapitalistische economie. De essentie daarvan is dat mensen in grote mate vrij zijn om te leven zoals ze willen. Hoe goed je je best doet op school, wat voor werk je doet, hoeveel je werkt, wat je in je vrije tijd doet, hoeveel vrije tijd je jezelf gunt, met welke mensen je omgaat, hoezeer je je aanpast aan mensen om je heen, of je het aandurft een bedrijf te starten, of je verstandig met je geld omgaat, of je heel zuinig doet en spaart om een huis te kopen of juist liever blijft huren, hoe goed je je tijd gebruikt, hoe gezond en fit je jezelf houdt, hoe je je kinderen opvoedt, je bent er allemaal vrij in.

Die vrijheid koesteren we allemaal zeer. Ik ken geen Nederlander die ook maar een greintje vrijheid, op welke van deze punten dan ook, zou willen inleveren. Maar nu komt het: deze vrijheid heeft wel als onvermijdelijk gevolg dat de levens van mensen er heel verschillend uit gaan zien, met grote verschillen in kwaliteit van leven en welvaart. Zeker, omdat je als kind de achterstand of de voorsprong van je ouders met je meekrijgt. Het bouwt dus op. Bovendien zien we dankzij het internet en sociale media meer dan ooit de levens van anderen, en zijn er inmiddels enkele generaties Nederlanders opgevoed met het idee vooral rechten en niet zoveel plichten te hebben. En dan begint de schoen te wringen. 

Mensen zijn ontevreden met waar hun leven in vergelijking met anderen achterblijft en op dat moment komt er een politicus of activist langs die zegt: ”Je hebt helemaal gelijk dat je zo boos bent, jij hebt ook recht op die welvaart, maar je wordt gediscrimineerd, ze onderdrukken je, en het is nog veel erger dan je denkt, want kijk maar eens naar de patsercontrole en Zwarte Piet  . . . . ” 

Deze column werd oorspronkelijk gepubliceerd op Dagblad010.nl

Ook links wil tegenover hun wij een zij

Deel 1 van een terugblik op het Rotterdamse diversiteitsdebat in 2018

Op het valse populisme van Wilders en Baudet wordt terecht al lange tijd een felle lamp geschenen. Ze maken misbruik van onvrede van mensen voor zondebokpolitiek die onze samenleving en ons land ondermijnt. Het is, nu aan het eind van 2018, hoogtijd dat we dit óók doen bij de valse profeten op links, die evenzeer misbruik maken van onvrede van mensen om de samenleving op te delen in een wij en een zij, en meer kapot maken dan ons lief is. 

Het lijkt alweer een eeuwigheid geleden, maar begin dit jaar stond ik op het podium van een Rotterdamse mbo-school om met collega-kandidaatraadsleden en jongeren van de school te debatteren over onze stad. Na afloop schoot een jongedame me aan. Ze was het de volle anderhalf uur die het debat duurde met me oneens geweest en vertelde me, met de niet te miskennen voldane ondeugendheid die hoort bij een kleine maar dappere daad van verzet, dat in haar klas niemand de politie vertrouwt. Want, zo wierp ze me monter voor te voeten, ze hebben allemaal echt wel de filmpjes gezien van politiegeweld tegen zwarte mensen.

Dat deze ideeën goed blijven plakken en zich snel verspreiden is niet gek, want ze bieden een simpele verklaring voor het feit dat sommigen welvarender zijn dan anderen, die de schuld bovendien bij een ander legt. Dat helpt niet, maar het ruimt wel lekker op. 

Bovendien is het in toenemende mate een favoriete verhaallijn voor nogal wat politici en activisten, die onderdeel zijn van of zich verwant voelen aan de social justice warriors uit de Verenigde Staten. Wat zij in Nederland voor het gemak of uit onbezonnenheid vergeten, is dat de feiten over welvaartsverschillen, over kansengelijkheid, over politiegeweld en over racisme hier 180 graden anders liggen dan daar. 
Dat bleek ook tijdens het debat, waar het multiculturele publiek door enkele andere politici werd verteld dat VIGOR-controles (ook bekend als ‘patsercontroles’), waarmee criminelen worden aangepakt die pronken met hun illegaal verkregen goederen, discriminerend zijn en gericht zijn tegen mensen zoals zij. Hiermee perverteren ze het jonge publiek in één moeite op drie manieren. 

Allereerst gaan ze deze patsercontroles als onrechtvaardig zien, terwijl als iemand er uiteindelijk van profiteert wanneer criminelen van straat worden gehaald die jongeren het verkeerde pad op verleiden, juist zij het zijn. Ten tweede wordt een gevoel van verbondenheid opgeroepen tussen het jonge publiek en de criminelen tegen wie de controles gericht zijn, want hen wordt verteld dat ze tot dezelfde groep behoren, namelijk de slachtoffers van het systeem. En ten derde wordt en passant de indruk gewekt dat bij de politie aan de lopende band wordt gediscrimineerd, terwijl daar geen enkel bewijs voor is. 

Kunnen vertrouwen op de integriteit van de politie is wel een voorwaarde om ontspannen in onze maatschappij te kunnen leven. Maar bovenal wordt zo elke keer opnieuw een dreun gegeven op de geïmporteerde wig die onze samenleving wil opdelen in wit en zwart, onderdrukkers en onderdrukten. Het kan uit cynisme zijn of uit onbezonnenheid, maar op het altaar van de politieke populariteitsstrijd sneuvelt zo veel dat het beschermen waard is.

Deze column werd oorspronkelijk gepubliceerd op Dagblad010.nl