Categorieën
Meningen

De stuitende hypocrisie van NIDA

De Rotterdamse gemeenteraad staat erom bekend een beetje rauw te zijn. Han van Midden, de voormalige raadsgriffier, zag daar bij zijn afscheid een essentiële taak van de volksvertegenwoordiging: politici zijn bezig op te komen voor hun achterban, om ze te emanciperen, en daar hoort al te veel zachtzinnigheid niet bij. 

Mijn stijl is het niet, het smijten met hyperbolische verwijten om je punt te maken, of het nodeloos oppompen van alleszins overzichtelijke problemen. Ik hou meer van proberen elkaar te begrijpen dan elkaar beledigen, en meer van het compromis dan van het opgeblazen verschil. Dat is een kwestie van karaktertrekken, overtuiging, en ook pragmatisme: de idealen die ik mag vertegenwoordigen verlangen nu eenmaal deze houding. 

Indachtig Van Midden’s afscheidsrede besef ik me echter: andere raadsleden en andere partijen hebben andere achterbannen, met andere noden. Ik heb er begrip voor dat zij hun rol anders invullen dan ik de mijne. Bovendien: ieder vogeltje moet zingen zoals het gebekt is. Die houding werkt, heb ik gemerkt, als een soort isolatiemateriaal: het getetter dringt meestal nog nauwelijks tot me door. Sòms gebeurt er echter iets dat als een speer door die isolatie heen gaat en wat me pislink maakt. Dat gebeurde deze week. 

Een korte aanloop: twee weken geleden schreef wethouder Wijbenga, de man die zich meer dan wie ook tijd en inspanning getroost om onze ingewikkelde samenleving meer relaxed te maken, dat de praktijk hem had geleerd dat er een grens is aan het aantal vluchtelingen die we in onze stad kunnen opvangen. Vluchtelingen écht onderdeel maken van de samenleving en ze kans bieden op een hogere kwaliteit van leven vergt veel inspanning en geld, en dat hebben we niet onbeperkt beschikbaar. Ik schreef daar zelf ook een uitgebreid stuk over. Wijbenga en ik zijn het roerend eens. 

Bij grote delen van de gemeenteraad schoot Wijbenga’s pleidooi echter in het verkeerde keelgat. NIDA liep voorop om hem in Rotterdamse stijl te grazen te nemen: ‘Zondebokpolitiek!’, ‘U zet mensen tegen vluchtelingen op!’, ‘Schande!’ Je moet lenig van geest zijn om dit uit zijn verhaal te halen, maar soit, dit is hoe het gaat, dacht ik. Bovendien zat er voor de goede verstaander, bedolven onder de felle woorden, ook nog een boodschap in die wel degelijk het overdenken waard is: als je als leider iets zegt gaat het er niet alleen om wat jij met je woorden bedoelt, je moet je ook realiseren wat je achterban verstaat. Dat is niet altijd hetzelfde. 

Naar NIDA luister ik wel meer met bovengemiddelde interesse. De pleidooien van Nourdin El Ouali en zijn makkers over diversiteit, integratie en emancipatie zijn temperamentvol en niet zelden vilein, maar ook intelligent en dooraderd met ethiek. Bovendien vertegenwoordigen ze een groep Rotterdammers die zich midden in de integratieparadox bevinden: mensen met een migratieachtergrond en een relatief hoge opleiding en goede carrière, die juist door het meer dan gemiddelde contact met autochtone Nederlanders relatief veel afwijzing ervaren. Als je de complexiteit van onze jonge superdiverse samenleving wil begrijpen, dan moet je hén willen begrijpen. 

Halverwege vorig jaar verweet NIDA mij selectieve verontwaardiging, toen ik in een debat pleitte voor maatregelen tegen de oprukkende Jodenhaat in ons land. Ja, antisemitisme is verschrikkelijk en daar moeten we tegen in actie komen, maar waarom hoorde men mij niet over moslima’s die beschimpt en geïntimideerd worden? Het was een pleidooi voor principiële zuiverheid en dat nam ik ter harte: niet lang erna vroeg ik het College, samen met een NIDA-raadslid, om ook actiever op te treden tegen schandalige incidenten als het bespugen van moslima’s. 

Juist daardoor stuitte de stunt van NIDA van afgelopen dinsdag, waarover zo meer, me zo enorm tegen de borst. U moet weten: het Arabisch-Israëlische conflict is één van de belangrijkste bronnen van culturele spanningen in onze samenleving. Het is een bron van frustratie en boosheid voor islamitische jongeren die zich verbonden voelen met de Palestijnen. Het komt veelvuldig terug in de straatcultuur waardoor ze zich afkeren van de Westerse manier van leven, waardoor de sfeer in schoolklassen soms grimmig is, en waardoor ze hun eigen kansen vergooien. Het is bovendien een van de belangrijkste bronnen van Jodenhaat in Nederland. 

Dus: wie oprecht ‘verbinding’ en ‘inclusie’ wil, en wie oprecht wil bijdragen aan de kansen en de emancipatie van deze jongeren, die moet helpen hen ervan te overtuigen dat dat conflict weliswaar in allerlei opzichten ontzettend vervelend is, maar dat het in onze samenleving geen plek heeft. Het is voor hen, hier, niet belangrijk. Het mag niet iets zijn dat hen, hier, onnodig frustreert en tegenhoudt. Laat Israël en Palestina aan de Israëli’s en de Palestijnen, hier zijn wij allemaal Rotterdammers. De vlag die hier hoort te wapperen is die ene die ons verbindt: de Rotterdamse. Dat is de énige juiste boodschap zijn en die boodschap zou je in de eerste plaats van NIDA mogen verwachten. 

Maar nee. Nota bene NIDA, de partij van emancipatie, ethiek en het verwijt dat het principieel onzuiver is om Jodenhaat niet in één adem met islamofobie aan te kaarten, die presteert het afgelopen dinsdag om met vlaggen en al uit naam van de Palestijnen tegen het Songfestival te demonstreren – omdat Israël daaraan deelneemt. De leiders van NIDA zullen het vast graag witwassen door te zeggen dat erover gediscussieerd moet kunnen worden dat de Palestijnen niet mogen deelnemen en Israël wel, en dat antizionisme niet hetzelfde is als antisemitisme. Maar leiderschap is dat je je bewust bent van het effect van je woorden. Het gaat er niet om wat je bedoelt, het gaat erom wat door je achterban wordt verstaan. Dat is wat ze twee weken geleden Wijbenga zelf zo venijnig voor de voeten wierpen. 

En wat die achterban verstaat is dit: ons, de moslims, wordt weer onrecht aangedaan. Wees boos op Joden. 

Het is malicieuze identiteitspolitiek die de emancipatie van alle jonge moslims die het hebben gezien en wier woede en afkeer van onze samenleving weer is aangewakkerd, een schop achteruit heeft gegeven. De morele rechtlijnigheid van NIDA is niets meer dan een stuitend hypocriete pose. Bah.  

Categorieën
Essays

De migratiemiddenweg: minder mensen écht helpen

Meer of minder vluchtelingen opvangen? Het is één van de grote politieke tegenstellingen van deze tijd, en het voorbeeld bij uitstek van het morele absolutisme dat veel hedendaagse debatten domineert. Standpunten worden zelden bepaald door een nuchtere analyse van de realiteit en de afweging van voor- en nadelen, maar zijn veelal een reflectie van tot welke ‘morele stam’ je behoort. Wereldburgers die geven om mensen willen de grenzen zo veel mogelijk open, Nederlanders die geven om hun land willen de grenzen zo veel mogelijk dicht. Het is een kwestie van identiteit. De feiten zijn ondergeschikt, pragmatisme is verdacht, en de ander zit per definitie fout. Dat maakt de vorming van consensus over nieuw beleid steeds moeilijker, en dat is uitermate problematisch in een kwestie waarin de status quo onhoudbaar is. Voortzetting van het huidige asielbeleid zal namelijk tot heel veel vermijdbaar menselijk leed leiden, en zal tot steeds verdere polarisatie en sociale ontwrichting leiden. Dit is een oprechte poging om de zaak eens met begrip voor beide perspectieven te beschouwen en een nieuwe consensus te verkennen, met als uitgangspunt dat we allemaal op onze eigen manier heus wel deugen. Mensen in nood willen helpen is helemaal niet zo gek, en je zorgen maken over de gevolgen daarvan voor je eigen land ook niet.

Op de vlucht

In de ene week melden zich ruim zevenhonderd mensen bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in Ter Apel om asiel aan te vragen, in de andere wat minder. Gemiddeld ging het in 2019 om 2401 mensen per maand.[i] Een deel daarvan is daadwerkelijk vluchteling en krijgt een verblijfsvergunning. In 2018 betrof het ruim 79.000 mensen, in de jaren daarvoor schommelde dat aantal tussen 50.000 en 71.000.[ii] Een groot deel van hen verkrijgt na een aantal jaar de Nederlandse nationaliteit en blijft hier definitief: van de vluchtelingen die in de tweede helft van de jaren ’90 binnenkwam, geldt dit voor zeventig procent[iii]. Het totale aantal (voormalige) vluchtelingen met een verblijfsstatus beloopt de vele honderdduizenden. Een ander deel wordt niet als vluchteling erkend, krijgt geen verblijfsstatus en wordt verzocht terug te keren. In veel gevallen, volgens recente berichtgeving[iv] de helft, wordt aan dat verzoek geen gehoor gegeven en bij gebrek aan een sluitend uitzetmechanisme blijft het daar dan veelal bij. De regering faalt er nog steeds in dat de veranderen. Daarnaast bereikt een onbekend aantal migranten ons land wekelijks zonder zich überhaupt voor de procedure aan te melden. Zij verdwijnen rechtstreeks in de illegaliteit. Na vele jaren is het resultaat dat inmiddels naar schatting zo’n 300.000 mensen illegaal in Nederland verblijven. Deze aantallen gaan oplopen. Onvermijdelijk.

Aankomen

Op zichzelf zeggen deze cijfers echter nog niet veel, behalve dat je kunt vaststellen dat het om forse aantallen mensen gaat, maar dat van een “tsunami” of andere overweldigingsmetaforen geen sprake is geweest. Het zijn veel mensen, maar op de hand gewogen zijn het aantallen die een van de rijkste landen ter wereld best zou moeten kunnen “opvangen”. En dat is strikt genomen ook zo. Althans: als je zo weinig eisen stelt aan dat “opvangen” als we hebben gedaan — en nog steeds doen. Jarenlang behelsde dat namelijk niet veel meer dan voorzien in een huisje en gezondheidszorg voor het gezin, een uitkering voor de ouders, en onderwijs voor het kind. Pas na invoering van de Wet Inburgering uit 2007 werden mensen ook in enige mate sociaal-cultureel en maatschappelijk wegwijs gemaakt in ons land. In 2013 werd die “inburgering” dankzij herziene wetgeving nog iets verder verbeterd en in 2021 zal dat nog eens gebeuren.

Het is en blijft echter een bijzonder schrale opvatting van opvangen, met flinke individuele en maatschappelijke gevolgen. We stellen deze mensen in staat om hier te leven, maar maken ze nauwelijks onderdeel van onze samenleving en slagen er evenmin in om ze een goede kans te geven op het soort leven dat we voor onszelf wensen. De kwaliteit van hun leven ligt in veruit de meeste gevallen zelfs rond de absolute ondergrens van wat we in Nederland acceptabel vinden. Een bijstandsuitkering, veelal een karig huisje in een armoedige wijk met weinig sociale cohesie[v], een vaak beperkt en vrijwel altijd eenzijdig sociaal leven, weinig kans op arbeidsvreugde en professionele ontwikkeling, laat staan een carrière. Die 300.000 illegalen of ongedocumenteerden hebben zelfs dìt niet. Het is een perspectiefloos bestaan aan de rand van een samenleving, die in veel opzichten wezensvreemd voor ze is. Natuurlijk zijn er die dit weten te ontstijgen, maar in rond de 70 procent[vi] van de statushouders is de bijstandsafhankelijkheid, met alle bijkomende beperkingen, blijvend. Illegalen of ongedocumenteerden hebben geen bijstandsuitkering en moeten in hun onderhoud voorzien door zwart werk te verrichten in erbarmelijke omstandigheden of in het criminele circuit. Dat is een alarmerend slecht en gewoonweg onacceptabel resultaat.

De vraag is: waar ligt dit aan? Studies naar de integratie van Syrische[vii] en Eritrese[viii] vluchtelingen leiden tot een pijnlijk duidelijk antwoord: wij Nederlanders onderschatten volkomen, omdat we zelf nu eenmaal niet beter weten, hoe ongelofelijk complex, veeleisend en ook hard het leven in ons land is. Wie vanuit een warm land met een veelal laagontwikkelde samenleving in het koude, natte, moderne en individualistische Nederland terechtkomt, heeft een sociaal-culturele Marianentrog te overbruggen. Álles is anders. Het is een opgave van epische proporties, waarmee mensen zich geconfronteerd zien die door de ellende die tot de vlucht leidde en de ellende van de vlucht zelf, ook nog eens bepaald niet in hun beste doen zijn. De hulp die wij ze daarbij bieden is een inburgeringscursus en taallessen, waarvoor ze een prestatiebeurs krijgen en die ze zelf moeten inkopen, en ze krijgen bij veelvoorkomende praktische zaken wat ondersteuning van de geweldige vrijwilligers van Vluchtelingenwerk. Daarnaast is er een paar keer per jaar een gesprekje met een ambtenaar van de gemeentelijke sociale dienst. Nee, zo lukt het niet.

Dat wordt erkend door het kabinet en de gemeenten die het mislukken van de integratie en de gevolgen daarvan van dichtbij zien, zoals deze week mijn Rotterdamse VVD-collega wethouder Bert Wijbenga. Daarom is er een nieuw inburgeringsstelsel in de maak, waarmee nieuwkomers een beetje meer worden ontzorgd: ze hoeven niet meer met een prestatiebeurs zelf op zoek naar een taalcursus en krijgen iets meer “intensieve begeleiding”. Zal dat werken? Een bijzonder project in Rotterdam doet vermoeden van niet. Stichting Nieuw Thuis Rotterdam, dat dankzij de generositeit van een Rotterdamse filantroop veel intensievere begeleiding en ondersteuning biedt dan met publiek geld op grote schaal mogelijk is, bereikt vooralsnog geen beter resultaat dan zelfs het huidige inburgeringsstelsel. De mensen vinden in veruit de meeste gevallen geen aansluiting bij de rest van de maatschappij, krijgen te maken met persoonlijke en relationele problemen als gevolg van de cultuurschok, blijven hardnekkig bijstandsafhankelijk, en zijn slecht in staat om hun kinderen te begeleiden bij het opbouwen van hun eigen leven. Het is problematiek die generaties lang na-ijlt, weten we dankzij de ervaringen van de voormalige gastarbeiders en hun families. Dit is ondanks dat alle deelnemers aan het project zorgvuldig geselecteerde, “kansrijk” geachte Syrische gezinnen zijn. De problematiek met Afrikaanse vluchtelingen is vele malen groter, zoals ook blijkt uit het eerder aangehaalde SCP-onderzoek naar Eritreeërs. Het nieuwe inburgeringsstelsel is allicht een stapje vooruit en komt onmiskenbaar met de beste bedoelingen tot stand, maar ook dat gaat inburgeraars niet op grote schaal écht integreren. Vanuit dat perspectief is het in feite dead on arrival.

Samengevat is de realiteit voor vluchtelingen die in Nederland aankomen, binnen de huidige én binnen de voorziene praktijk, schrijnend. De kwaliteit van hun leven is in veruit de meeste gevallen rond de absolute ondergrens van wat we voor onszelf acceptabel vinden, en in het geval van de honderdduizenden illegalen of ongedocumenteerden daar zelfs ruimschoots onder. Het heet dat we mensen helpen, maar in werkelijkheid parkeren we ze in een almaar groeiende onderklasse. Als er niet écht iets verandert, gaan we daar gewoon mee door.

Ontvangen

Aan de ontvangende kant, de Nederlandse samenleving, zijn de gevolgen van de huidige praktijk evenmin acceptabel. Daarbij passen een aantal woorden vooraf. Lang zijn discussies over ons asielbeleid gevoerd in de context van een land dat zich, zonder dat het zich dit goed realiseerde, in een tweede gouden eeuw bevond. Naast ongekende vrijheid en een voorlopersrol op het vlak van sociaal-culturele ontwikkeling, die we nog steeds hebben, genoten we ook van een aanhoudende en brede welvaartsstijging die zijn weerga in de menselijke geschiedenis niet kent. Waar Nederland tot aan de Tweede Wereldoorlog lang een vrij middelmatig landje was, dat bij vrijwel alle grote economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de Westerse wereld een beetje achteraan hobbelde, werden we in de periode na dien vrij snel een ware economische powerhouse. Er zijn inmiddels bijna geen “lijstjes” meer waar we niet minstens in de top-vijf staan. In de loop van de decennia waarin zich die ontwikkeling voltrok is een gevoel van vanzelfsprekend staan. Van onvermijdelijkheid en van onaantastbaarheid bijna. De plek bovenin al die lijstjes is niet alleen terecht, maar haast onze lotsbestemming. We kunnen het ons niet anders voorstellen. Hoewel we allemaal zèlf best meer geld in onze portemonnee hadden willen hebben, hadden we het gevoel dat onze collectieve rijkdom letterlijk niet op kon. In een land dat er zó voor staat, en dat ook nog eens de knagende schuldlast van kolonialisme en het trauma van de Tweede Wereldoorlog draagt, is het begrijpelijk dat de overtuiging ontstaat dat we de morele plicht hebben om zoveel mogelijk mensen van onze rijkdom te laten meeprofiteren. Wij zijn bijna onbegrensd bevoorrecht, en dat hebben we ten koste van andere bereikt. Vanuit die grondhouding wordt over het asielbeleid nog steeds gedacht, is mijn indruk als ik mijn linkse politieke vrienden erover spreek. Dus als zich dan ruim zevenhonderd mensen per week in Ter Apel melden, dan is dat iets dat we maar gewoon moeten doen. Dit tijdperk nadert echter z’n eind.

Allereerst neemt onze relatieve rijkdom ten opzichte van de rest van de wereld snel af. Met een bruto binnenlands product van ruim 900 miljard euro per jaar zijn we met ons 17 miljoenen op dit moment de zeventiende economie ter wereld. We behoren tot de meest innovatieve, meest dynamische en meest productieve economieën. Voor een land dat het vrijwel zonder natuurlijke rijkdommen moet stellen en ook niet overdreven strategisch gelegen is, is dit is uniek. Dit gaat veranderen, en sterker nog: dat is al aan het gebeuren. Zeker, er zijn nog steeds weinig landen waar zo snel zoveel mensen de nieuwste iPhone hebben, maar de wezenlijke technologische en economische vernieuwing vindt nu al steeds vaker in Azië plaats. Volgens een breed opgezette doorrekening van PwC uit 2017[ix], zal Nederland in 2050 nog maar de 32e economie ter wereld zijn. Onze voormalige kolonie Indonesië is tegen die tijd de vierde economie ter wereld en we zullen ook ruimschoots zijn voorbijgestreefd door landen als Nigeria, Bangladesh, de Filipijnen, Vietnam, en Maleisië. In de G8, de acht grootste economieën ter wereld, zit geen enkel Europees land meer.

Je kunt denken: wat maakt ons onze plek op zo’n lijstje nou uit? Op zichzelf niet veel natuurlijk. Maar de economische rangorde maakt wel degelijk uit, omdat het een indicator is van invloed. Grotere economieën hebben een groter belang en meer machtsmiddelen om hun stempel te drukken op het verkeer tussen landen, en trekken ook meer investeringen en bedrijvigheid aan. Hoe lager wij in die rangorde staan, hoe minder relevant we worden en hoe meer wij naar andermans pijpen zullen moeten dansen. Zeker, als de huidige ontwikkeling van het stap-voor-stap ontmantelen van het internationaal recht ten gunste van power play doorzet. Dat heeft effecten in onze eigen samenleving: we zullen meer en meer het gevoel krijgen dat we afhankelijk zijn van de grillen van andere landen. En dat zullen steeds vaker landen zijn die niet op ons lijken en weinig boodschap hebben aan wat ze daar in het kleine Nederland te mopperen en te vingerwijzen hebben. Is Nederland nu al collectief verontwaardigd als Rusland en Turkije lak aan ons hebben, en als zelfs Marokko onze staatssecretaris van Migratie schoffeert: dat is nog maar het begin. Het gevoel van morele verplichting aan de rest van de wereld zal snel wegebben, nog meer dan op dit moment al is gebeurd.

Daar komt een belangrijke binnenlandse ontwikkeling bij: de vergrijzing. De babyboomgeneratie gaat langzaam maar zeker met pensioen en zal daar gemiddeld zo’n 30 tot 35 jaar in blijven. Tegelijkertijd blijven de zorgkosten spectaculair stijgen. Er kán meer, dat is fantastisch, maar het gebéurt ook allemaal, en dat is peperduur. Zeker in die laatste levensjaren zijn de kosten enorm. Bij elkaar opgeteld leidt het ertoe dat een afnemende groep werkenden de steeds toenemende kosten voor levensonderhoud en zorg van een groeiende groep gepensioneerden moet dragen. De belastingen en premies zullen toenemen, en het gevoel van dusdanige welvaart dat we wel wat kunnen missen neemt, zeker in het licht van die veranderende verhoudingen in de wereld, af.

Deze ontwikkelingen zetten zich in op een moment dat de publieke sector al ernstig overvraagd wórdt. De politie kampt nu al met dramatische tekorten, waardoor aangiftes blijven liggen en cruciaal wijkwerk onder druk staat. Er staan nu al te weinig leraren voor de klas om alle kinderen met speciale noden en achterstanden te ondersteunen en daarnaast ook nog eens voldoende aandacht te hebben voor de “gewone” leerlingen. In de zorg hebben we nu al te weinig handen aan het bed, en te weinig tijd voor een beetje aandacht. In de jeugdzorg is de werkdruk nu al onverantwoord hoog. De krijgsmacht krijgt nu al duizenden vacatures niet ingevuld. De mensen zijn er wel, maar de publieke sector slaagt er niet in om de concurrentie om menskracht van de private sector te winnen. En de collectieve lastendruk is nu al op het hoogste niveau in vele jaren. Daarnaast is de energietransitie bepaald geen kleinigheid. Het vraagt veel van mensen, zowel in geld als in persoonlijke belasting.

En dit alles komt nadat het draagvlak voor een asielbeleid zoals we dat nu hebben al decennia tanende ís. Het ís al een van de meest gepolariseerde politieke splijtzwammen in generaties. Veel Nederlanders, waarvan een groot deel in de onderste helft van de sociaal-economische piramide, vragen zich al lang met oplopende frustratie af, vanuit hun perspectief verwoord, waarom zoveel mensen hier kunnen blijven die in veel gevallen weinig bijdragen en vooral nemen — zelfs als het land van herkomst alweer veilig is. Je kunt daarvan vinden wat je ervan vindt, maar het is een feit dat die gevoelens er zijn, dat ze persistent zijn, en dat die leiden tot toenemende polarisatie en toenemend conservatisme. De blijmoedige tolerantie waar Nederland in de vorige eeuw om bekendstond ís al grotendeels verbleekt. Vrijwel alle mensen die nu op de verfoeide partijen van Wilders en Baudet stemmen, stemden ooit op sociaal-cultureel progressieve partijen als de PvdA en VVD. Uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt dat niet alleen nieuwkomers, maar ook autochtone Nederlanders zich steeds minder in Nederland thuis voelen.[x]

Toename

Bovenal zal de migratiedruk toenemen. De mensen die nu naar Europa migreren, komen uit het Midden-Oosten en Afrika, weg van de omstandigheden ter plekke, die variëren van burgeroorlogen en onderdrukkende regimes tot erbarmelijke economische perspectieven. Die omstandigheden gaan niet beter worden. Of je nu gelooft dat de opwarming van de aarde door mensen teweeg wordt gebracht of niet, dát de aarde opwarmt kan een redelijk mens niet meer ontkennen. Dat dit consequenties heeft, evenmin. De burgeroorlog in Syrië, als onderdeel van de Arabische Lente, was het eerste grote gewelddadige conflict dat (grotendeels) aan de gevolgen van die opwarming kan worden toegeschreven. Door opeenvolgende warme jaren mislukte oogst na oogst en steeg de prijs van brood, wat de al langer sluimerende onvrede tot een gewelddadige explosie bracht. Met een massieve vluchtelingenstroom als gevolg. Dergelijke conflicten zullen vaker gaan ontstaan. En zelfs daar waar het niet tot zulke gruwelijke geweldsuitbarstingen komt, zullen stijgende temperaturen, afnemende watervoorraden en een navenant gebrek aan perspectief mensen op de vlucht blijven brengen. De factoren die nu al zoveel mensen tot migratie aanzetten, zullen verergeren. Zelfs als de niet als ondenkbaar te diskwalificeren totale “social collapse” die de Amerikaanse wetenschapper Jem Bendell[xi] voorziet niet in die mate en in dat tempo werkelijkheid wordt, kijken we aan tegen decennia van sociale catastrophes in de regio’s waar extreem weer en opwarming zich nu al doen gelden. De VN spreken nu al van migratiestromen van vele tientallen miljoenen — een veelvoud van de vier miljoen Syrische vluchtelingen die hun land de afgelopen jaren verlieten. En dus zal het bij ongewijzigd beleid op de Middellandse Zee en bij Ter Apel steeds drukker worden met mensen die vrijwel kansloos zijn om succesvol in onze samenleving te integreren, voor wie we niks anders kunnen betekenen dan ze te parkeren in onze onderklasse, waarvoor de voorzieningen als gevolg van de geschetste ontwikkelingen eerder soberder dan ruimer zullen worden. We zullen stelselmatig een nieuwe onderklasse naar binnen halen, terwijl er nog zoveel mensen op verheffing hopen die hier al zijn. Het is een aanzwellende sociale catastrophe, wrang genoeg ontstaan uit overmoedige medemenselijkheid.

Het roer om

Al deze ontwikkelingen komen bij elkaar. Bij ongewijzigd beleid groeit die onderklasse, neemt het absorptievermogen van de samenleving en van de publieke voorzieningen steeds verder af, en neemt de weerstand ertegen, met alle maatschappelijke en politieke gevolgen van dien, tot steeds minder te behappen proporties toe. Simpel gezegd: wie Wilders of Baudet daadwerkelijk nog een keer als premier wil zien, moet vooral het beleid laten zoals het is. We helpen er niemand écht mee, en we ondergraven onszelf. Asiel- en migratiebeleid kan dus niet langer een kwestie zijn waarin korte termijn emoties domineren, zelfs als die voortkomen uit of worden uitgelegd als menselijkheid of vaderlandsliefde. Natuurlijk speelt de vraag altijd wat voor land wij willen zijn, en daarin hebben emoties en idealen een centrale rol, maar we moeten daarenboven helder en scherp zijn over de consequenties, en van dáár uit redeneren. Het roer moet om.

Om te beginnen moeten we onder ogen zien dat onze invulling van “opvangen” volstrekt ontoereikend en zowel individueel als maatschappelijk schadelijk is. Vluchtelingen, die in veruit de meeste gevallen permanente migranten worden, daadwerkelijk opnemen in onze samenleving op een manier dat ze állemaal vanaf de eerste generatie per saldo aan de maatschappij kunnen bijdragen, vergt simpelweg veel meer dan een taalcursus, een huis, een uitkering, wat praktische hulp en een participatieverklaring. Zij moeten worden opgenomen in het sociale weefsel van de samenleving en dat kunnen we niet aan de overheid uitbesteden. Het moet in de samenleving gebeuren. Dat is geen bezweringsformule, dat is een feit.

Op kleine schaal zijn er heel mooie voorbeelden van hoe dat kan werken: mentoringprogramma’s voor scholieren en studenten. Organisaties als de Stichting Giving Back bieden scholieren met een migratieachtergrond en een beperkt sociaal netwerk een mentor aan. Die mentoren helpen ze om hun weg te vinden in de samenleving, ondersteunen ze bij het maken van de goede keuzes, en stellen ook hun netwerk aan ze beschikbaar. Zulke programma’s zijn zeer succesvol, omdat ze deze kinderen vanuit de vaak kleine en geïsoleerde eigen gemeenschap, het bredere sociale weefsel van de samenleving in helpen. Ook voor statushouders is er een netwerk van ‘maatjes’, maar dat is nog onvoldoende. Er moet een gestructureerde aanpak komen om ieder individu of elk gezin een mentor of mentorgezin toe te wijzen, die intensief contact met ze onderhoudt, ze in aanvulling op de overheidsondersteuning de maatschappij helpt leren kennen, ze aan een netwerk helpt, en ze op andere manieren met raad en daad bij staat. Het is allerminst een voldragen voorstel, maar zoiets als dit zou het moeten zijn. Dan ontstaat verbinding in plaats van vervreemding, en dan wordt de natuurlijke behulp- en zorgzaamheid van mensen aangeboord, in plaats van hun evenzo natuurlijke neiging tot afwijzing van de vreemdeling.

Daarnaast moet voor elke vluchteling die tot werken in staat is een duaal taal-werktraject beschikbaar komen. De taal leren, werken en Nederlanders leren kennen is veel effectiever als dat tegelijkertijd en op één plek gebeurt, dan als het in plaats en tijd gescheiden trajecten zijn. Dat heeft een succesvolle proef in Rotterdam aangetoond. Mensen hier ontvangen wordt dan ze de hand reiken en ze omarmen met wederzijds voordeel, in plaats van ze buiten het zicht in de onderklasse te parkeren en denken dat we goed bezig zijn.

Om dit te laten slagen zullen we echter wel selectiever moeten zijn in wie we hier een verblijfsstatus geven. Dat betekent dat we überhaupt moeten selecteren — iets wat we nu niet doen. Wie hierheen komt laten we nu volledig aan hén over. De kans dat iemand succesvol integreert, een leven boven die onderklasse kan opbouwen en per saldo kan bijdragen aan ons land, speelt geen enkele rol. Zelfs niet bij het uiteindelijk toekennen van een permanente verblijfsvergunning, wat bijna een automatisme is geworden. De heel menselijke vraag of een Nederlandse mentor en migrant-mentee voldoende sociaal-cultureel raakvlak hebben om een betekenisvolle relatie op te bouwen is daarvoor een goede lakmoesproef. Er moet voldoende sociaal-culturele nabijheid tot de Nederlandse maatschappij zijn om hier echt te kunnen integreren, om echt onderdeel te kunnen worden van het sociale weefsel van ons land. Die vraag moet centraal staan als we mensen uitnodigen om naar Nederland te komen.

Ook legt dit, als we dus mensen niet in een uitdijende onderklasse willen parkeren maar ze daadwerkelijk een volwaardig lid van onze samenleving willen laten worden, een beperking op de aantallen mensen die we hier kunnen ontvangen. In eerste instantie zou dat aantal misschien zelfs nul moeten zijn, omdat het onze eerste prioriteit hoort te zijn om die vele duizenden migranten die al in onze onderklasse geparkeerd zíjn de hand te reiken, en ze te helpen hun bestaan hier te verbeteren. Als we toch aan iemand een morele verplichting hebben, dan is het wel aan hen. Zij zijn er nu het slachtoffer van dat we jarenlang meer op ons bordje hebben genomen dan we eigenlijk aankonden. Zij moeten daarbij ook actief de keus krijgen om terug te gaan naar het land van herkomst of een ander land in die regio. De vlucht is meestal een kwestie van ergens bewust van weg gaan, en niet ergens bewust naartoe gaan. Het is absoluut niet ondenkbaar dat er veel voormalige vluchtelingen in Nederland zijn, en overigens ook reguliere migranten, die hier gewoon echt niet kunnen aarden — om wat voor reden dan ook. Terug migreren, zonder spaargeld, zonder hulp, kan dan voelen als een te grote sprong in het diepe. Laten we ze daar dan bij helpen, door ze een opleiding aan te bieden die daar nuttig is, en ze een smak geld mee te geven om daar een goede (her)start te maken. De wettelijke basis daarvoor is er al, met de Remigratiewet uit 2014: een product van VVD en PvdA. Het is tijd om die wet te gebruiken. Het helpt hen, en het schept hier de ruimte voor iemand anders die zich hier wél op z’n plek zal voelen en kan bijdragen aan de samenleving. En zo helpt het onszelf ook.

Een absolute vereiste om dit allemaal te kunnen laten werken is dat we volledige controle krijgen op migratie. Zolang we dat niet hebben, is elke poging om migranten radicaal betere kansen te geven tevergeefs. Ons steeds verder gelimiteerde absorptievermogen zal blijven worden uitgeput door mensen die hier nooit het soort leven zullen kunnen hebben dat we voor onszèlf wensen, en die nooit volwaardig zullen kunnen bijdragen aan ons land, in een tijd waarin we dat steeds meer van iedereen nodig hebben. Er zal dan ook simpelweg steeds minder draagvlak voor zijn om überhaupt nog mensen te ontvangen. Controle krijgen en selectief toelaten enerzijds en een nieuwe, veel positievere houding ten aanzien van opvang anderzijds gaan hand in hand, en een blijvend gebrek aan controle en toenemende xenofobie en polarisatie evenzeer.

De grote voorkeur heeft het als we met de gehele Europese Unie en binnen de relevante internationale verdragen tot een sluitend migratiecontrolemechanisme kunnen komen. De EU moet rondom de buitengrenzen en in de regio van brandhaarden opvangvoorzieningen totstand brengen om te helpen vluchtelingen in veiligheid te brengen, in samenwerking met Afrikaanse en Midden-Oosterse partners. Van daar uit kunnen mensen gericht worden uitgenodigd om naar Nederland te komen en hier, met échte hulp, een mooi bestaan op te bouwen. Wie onuitgenodigd komt, moet altijd worden teruggestuurd en dat systeem moet sluitend zijn, eveneens in EU-verband. Daarvoor moeten met de landen van herkomst overeenkomsten worden gesloten, indien nodig met behulp van financiële en geopolitieke machtsmiddelen. Als verdragen dit in de weg staan, dan moeten ze worden gemoderniseerd of in het uiterste geval worden opgezegd. Alleen dán krijgen we er grip op, en alleen dan zullen we in staat zijn om mensen écht te helpen.

Minstens zo belangrijk is dat we actief samenwerken met de landen rondom Europa om hen te helpen zich te ontwikkelen. Daarbij moeten we ook naar onszelf kijken: de absurde subsidies op Europese landbouw, waardoor Afrikaanse agrariërs uit de markt worden geprijsd, moeten ook om deze reden van tafel. Ten slotte, en meest cruciaal, moeten we óók om reden van beheersing van migratie absoluut de klimaatverandering bestrijden en landen die er het meest door worden getroffen helpen met klimaatadaptatie.

Conclusie

Uitwisselingen van ideeën over asiel- en migratiebeleid zijn altijd beladen, en monden maar al te vaak uit in felle botsingen. De verwijten liggen altijd op de loer, en zijn zelden van de lucht. Ben je een goed mens en ben je bereid onze welvaart met anderen te delen, of ben je een slecht mens en wijs je mensen in benarde situaties bot de deur. Ben je een goed mens en geef je om het behoud van onze kwetsbare verworvenheden, of ben je een slecht mens die een hekel heeft aan zijn eigen land en gemeenschap. Wie er helder naar kijkt, ziet dat we met de huidige praktijk beide overtuigingen van wat goed is niet waarmaken. We delen onze welvaart niet met andere mensen, omdat we ze in veruit de meeste gevallen parkeren in een onderklasse, op de ondergrens van de kwaliteit van leven die we voor onszelf acceptabel vinden — en in veel gevallen daar zelfs onder. Onze kwetsbare verworvenheden behouden we evenmin, als we doormodderen op de huidige weg.

De positie van Nederland verandert. We zullen een welvarend land blijven, maar onze relatieve rijkdom neemt af en daarmee ons vermogen om relevante ontwikkelingen te beïnvloeden ook. Daar komt bij dat door demografische ontwikkelingen de druk op onze collectieve voorzieningen enorm wordt. Niet lang geleden kon het allemaal niet op, en over niet al te lange tijd moeten we daadwerkelijk alle dubbeltjes omdraaien. We gaan naar een toekomst waarin we meer dan ooit van ieder en elk lid van onze samenleving het beste nodig hebben. Dat betekent dat we veel selectiever moeten zijn met wie we hier ontvangen, en dat we iedereen die we hier ontvangen ook écht moeten helpen om er hier een succes van te maken. Om te beginnen met al die mensen die hier al zijn. Dat zou de nieuwe consensus over asielmigratie moeten zijn. Beide kampen zijn nu allebei níet het goede mens dat ze zouden willen zijn. Maar we kunnen het, allebei, wel worden.

Wat krijgen we dan? Een mooi land met een sterke samenleving, waar mensen onderdeel van mogen worden die dat ook kunnen — en die daarbij échte hulp krijgen.


[i] Immigratie- en Naturalisatiedienst, Asylum Trends: Monthly report on Asylum Applications in the Netherlands, September 2019, https://ind.nl/en/Documents/AT-September_2019_Hoofdrapport.pdf

[ii] Centraal Bureau voor Statistiek, Verblijfsvergunningen voor bepaalde tijdhttps://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/82027NED/table?fromstatweb

[iii] Zwaan, I. de, ‘Gros van de statushouders blijft in Nederland, maar er is ook een deel dat ‘hopt’’, De Volkskrant, 10 oktober 2019

[iv] ‘Kabinet maakt eigen plannen terugsturen asielzoekers niet waar’, NOS, 13 januari 2020, https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2318508-kabinet-maakt-eigen-plannen-terugsturen-asielzoekers-niet-waar.html

[v] Jennissen, R., Engbersen, G., Bokhorst, M., Bovens, M. (2018), De nieuwe verscheidenheid. Toenemende diversiteit naar herkomst in Nederland, Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid

[vi] Sociaal-Economische Raad, Integratie door werk. Meer kansen op werk voor nieuwkomers, Mei 2019, https://www.ser.nl/-/media/ser/downloads/adviezen/2019/integratie-door-werk.pdf

[vii] Dagevos, J. et al. (2018), Syriërs in Nederland. Een studie over de eerste jaren van hun leven in Nederland, Sociaal en Cultureel Planbureau

[viii] Sterckx, L., Fessehazion, M. (2018), Eritrese Statushouders in Nederland. Een kwalitatief onderzoek over de vlucht en hun leven in Nederland, Sociaal en Cultureel Planbureau

[ix] PwC (2017), The Long View: How will the global economic order change by 2050?, https://www.pwc.com/gx/en/world-2050/assets/pwc-the-world-in-2050-full-report-feb-2017.pdf

[x] Sociaal en Cultureel Planbureau (2017), Kwesties voor het kiezen

[xi] Bendell, J. (2018), Deep Adaptation: A Map for Navigating Climate Tragedy, IFLAS Occasional Paper 2, www.inflas.info

Categorieën
Meningen

Waarom ik lang tegen een Rotterdams vuurwerkverbod was, en daar nu voor ben

De kogel is door de kerk: er komt in Rotterdam een vuurwerkverbod. Ik vond dat een moeilijke beslissing. Tot afgelopen weekend ben ik daar tegen geweest. Zelf heb ik alleen heel leuke eigen ervaringen met vuurwerk. Als kleine Tim ging ik elk jaar met vrienden en een grote zak astronauten over straat. Ik herinner me hoe gaaf ik het vond, hoe bijzonder de sfeer was. Na twaalven allemaal voor de deur pijlen en potten afsteken, de buren een gelukkig nieuwjaar wensen. Ook deze laatste jaarwisseling heb ik nog het een en ander afgestoken, van vuurwerk dat een goede vriend had meegenomen. Dat waren mijn ervaringen met vuurwerk. Daarom was ik altijd tegen een verbod. Vuurwerk, daarmee doe je toch niemand kwaad, dat is toch gewoon leuk?

De afgelopen week heb ik na verschillende gesprekken, waaronder met fractiegenoten, mijn eigen ervaringen eens geparkeerd en bewust geprobeerd de andere kant te zien. Daardoor ben ik er voor het eerst echt van doordrongen geraakt dat de ervaringen van heel veel andere mensen heel anders zijn. Niet meer de straat over durven. Halve explosieven naar je toe geworpen krijgen. Er zijn 1300 gewonden gevallen, waarvan de helft omstanders. Agenten zijn doelbewust belaagd. Er ontstond in wijken een sfeer van totale wetteloosheid. Jongemannen dachten dat ze alles konden maken. Auto’s werden in de fik gestoken, zelfs bij mij om de hoek twee stuks. Het werd elk jaar erger.

Dat kán niet. Dat valt niet te accepteren. Mijn pleziertje, en dat van anderen die ook fijne ervaringen met vuurwerk hebben, weegt niet op tegen al die angst, dat leed, die vernielingen, dat geweld. En bovendien: kijk eens een van de vele dappere mannen en vrouwen van onze politie, brandweer, handhaving en ambulances in de ogen. Wil je hen vragen om voor dat pleziertje van ons elke keer weer dat gevaar in te duiken? Ik wil dat niet meer.

Daarom sta ik er volledig achter dat mijn collega’s en ik nu hebben besloten dat wij voor een vuurwerkverbod in Rotterdam zijn. Er staat tegenover dat er substantieel geld komt om in elke buurt een professionele vuurwerkshow te organiseren. Hopelijk wordt dat een mooie traditie die voor iederéén leuk is, waar mensen zich veilig voelen en onbezorgd met hun flesje en oliebollen naartoe kunnen komen, om elkaar een gelukkig nieuwjaar te wensen.

Categorieën
Gemeenteraad

Spreektekst (zoveelste) debat over Zwarte Piet

Voorzitter,

Het was zaterdag een feestelijke dag. Overal in Nederland werden de Sint en Pieten feestelijk onthaald en honderdduizenden kinderen beleefden een van de leukste dagen van hun jaar. Evenzoveel vaders, moeders, opa’s en oma’s genoten met ze mee. Precies zoals het hoort. 

Op veel plekken was Piet een beetje zwart. En op andere plekken was hij helemáál zwart. Ik denk dat maar weinig kinderen geïnteresseerd waren in het verschil. 

Maar toch doet dat verschil ertoe. En daarover zouden we elkaar wat minder moeten toeschreeuwen, en wat meer met elkaar moeten praten. Dat wordt bijna onmogelijk gemaakt door twee extremistische groepen in onze samenleving. De ene ziet de kleur van Piet als de laatste strohalm van een nationale identiteit die in razend tempo in verval is. En de andere ziet er de bevestiging in dat dit land één grote racistische poel van verderf is. Ze hebben allebei geen gelijk. Ze maken allebei de kleur van Piet veel betekenisvoller dan die is.

De kleur van Piet is persoonlijk. En wát de kleur van Piet is, hoort het resultaat te zijn van gesprekken tussen mensen. Dat maakt het zo belangrijk dat de kleur van Piet geen overheidsbesluit is, genomen onder druk van extreem activisme. In plaats daarvan moet de overheid juist ieders vrijheid beschermen om zèlf invulling te geven aan de prachtige Nederlandse Sinterklaastraditie, en als dat nodig is, in rust met elkaar over een ontwikkeling ervan te praten. 

In overeenstemming met dat uitgangspunt is de kleur van de Piet bij de stedelijke intocht bij SNIC belegd. Het artikel in NRC van afgelopen vrijdag riep de vraag op of er niet toch, ondanks die duidelijk afspraak, sturing vanuit het stadsbestuur is geweest. Mijn fractie vindt dat, als het klopt, een heel groot probleem. Daarom wil ik van de wethouder weten:

  • Klopt het dat er door ambtenaren druk is gezet op SNIC om de laatste Zwarte Pieten al dit jaar in Spanje achter te laten?
  • Klopt het dat hij daar ook zelf op heeft aangestuurd? 
  • Wat was nu de aard van dat gesprek? Kwam SNIC daar om steun vragen voor een zelfgenomen besluit, zoals dat eerder werd gecommuniceerd, of heeft de wethouder dat besluit mèt of zelfs vóór hen genomen? 

Voorzitter,

Graag glasheldere antwoorden daarop van de wethouder. 

Dan nog een andere, gerelateerde kwestie. Het is duidelijk dat de kleur van Piet de gemoederen flink doet oplopen in de samenleving, en zelfs tot gedrag kan leiden dat de grenzen flink overschrijdt. Gelukkig valt dat tot nu toe dit jaar in Rotterdam nog mee. Om dat zo te houden, moet iedereen wat zelfbeheersing aan de dag leggen. 

Ik vind het daarom binnen alle peil, en eerlijk gezegd ronduit schandalig, dat de Amsterdamse politieke partij Bij1 Rotterdammers heeft opgeroepen om Zwarte Pieten op straat, in winkelcentra of bij sportclubs te confronteren en foto’s van ze te maken, om die vervolgens aan een digitale schandpaal te nagelen. Dat soort opruiïng, dat soort pogingen tot intimidatie, is het werk van politieke pyromanen die kennelijk op escalatie úit zijn. Die kunnen we hier missen als kiespijn. 

Dit soort intimidatie-activisme hoort niet in een beschaafde, ontwikkelde democratie. En het helpt niet. Het gaat uit van het idee dat dit land een grote racistische poel van verderf is, en dat daartegen alle middelen geoorloofd zijn. Maar dat ís dit land niet. Wij zijn verenigd tégen racisme, waar dat zich voor doet. Dat heeft ons land laten zien na de schandelige behandeling van Mendes Moreira. En dat laten we in deze raad bijna elke week zien, van DENK tot VVD. Kap met tegenstellingen opblazen, en zíe al de overeenkomsten. Kap met intimideren, en práát. 

Voorzitter, wat kunnen Rotterdammers doen als ze met dit soort gedrag worden geconfronteerd. Staat de wethouder ervoor garant dat Rotterdammers die in vrijheid invulling geven aan de Sinterklaastraditie áltijd op de bescherming van de overheid kunnen rekenen? 

Dankuwel. 

Categorieën
Essays

Essay: Een weekje skeer

(Longread)

Het besluit

Drieëntwintig minuten voor vier. ‘Goedemiddag! Kan ik u helpen?’ Zeventien minuten voor vier. ‘Dat is dan negenennegentig vijfennegentig. Pinnen?’ 

Twee nieuwe polo’s gekocht, want die had ik nodig. Of nou ja, “nodig”, ik heb voldoende mooie kleding in m’n kast hangen, maar ik heb vanavond de wedding anniversary van een dierbare collega en ik heb bedacht dat het een mooie gelegenheid is, namelijk een luxe tuinfeest in de stralende zon waar ook nog wat genetwerkt kan worden, om onder m’n jasje een witte polo te dragen. Het werden er twee, want op de tweede krijg je drieëndertig procent korting. ‘Als echte Hollander maak ik daar natuurlijk gebruik van’, zei ik nog tegen de verkoper. Veertig euro meer uitgegeven dan de zestig euro die ik van plan was strikt genomen onnodig uit te gegeven, en ik loop naar buiten met een gevoel alsof ik toch maar weer mooi wat geld bespaard heb. 

Dat ik me dat überhaupt bedacht kwam omdat de dag erna mijn “Vijftig euro challenge” begon: een week lang zouden mijn vriendin en ik van vijftig euro leven, de helft van wat ik net in zes minuten wegsmeet, om zo te ervaren hoe het is om arm te zijn en solidariteit te tonen aan de vele Rotterdammers in armoede. Sinds ik besloot om na Ellen Verkoelen en zeven andere collega-raadsleden ook mee te doen, was al langzaam maar zeker een bepaald bewustzijn bij me gaan ontstaan. 

Het besluit om mee te doen was voor mij wat minder intuïtief vanzelfsprekend dan ik denk dat het voor de collega’s was geweest. Sterker nog, om eerlijk te zijn heb ik me er wekenlang onbewust en bij vlagen heel bewust tegen verzet. Toen de eerste uitnodiging per mail kwam, vlak voor het zomerreces, heb ik die zonder veel nadenken naast me neergelegd. Altijd als het gaat over de bijstand en over armoede en over hoe zwaar dat is voor de mensen die het treft, is mijn reactie, die ik overigens gelukkig – denk ik met mijn blik van nu – meestal voor mezelf houd, dat ik dat natuurlijk zelf als geen ander weet. Mijn moeder heeft jarenlang met een bijstandsuitkering voor mijn broertje en mij moeten zorgen en hoewel ik nog een jong kereltje was, kan ik me vrij veel van die tijd herinneren. We hebben het er ook nog vaak over. ‘Ik hoeft niet te ervaren hoe het is om arm te zijn, want dat weet ik nog uit eigen ervaring’, kon ik mezelf vluchtig horen denken toen ik de mail van Stichting WARM las. 

Bovendien: ik kan wel een week met vijftig piek leven, maar gewoon een weekje “skeer” zijn, zoals we dat tegenwoordig dankzij onze kleurrijke stadsgenoten noemen, oftewel even weinig geld hebben, is niet te vergelijken met echte armoede. Ik heb een fijn huis, in een fijne buurt, een stabiel leven met veel liefde en mensen aan wie ik me zou kunnen optrekken om me heen, ik verkeer in goede gezondheid, heb een mooie nieuwe fiets onder m’n kont, een peperdure iPhone in m’n zak en een MacBook Pro in m’n tas. Ik zal geen zorgen hebben over wat voor perspectief ik m’n kinderen kan bieden, die ik overigens ook nog niet heb. Ik hoef me geen zorgen te maken over wat ze van mijn stress meekrijgen. Ik hoef me geen zorgen te maken over of hun vriendjes en vriendinnetjes vanwege onze armoede bij ze af zullen haken. Ik zal niet de voortdurende dreiging voelen van een onverwachte grote rekening, of een andere tegenvaller. Ik zal niet naast de directe geldzorgen ook nog eens de druk hebben van het zoeken naar werk of naar beter werk, als een voortdurende zeurende hoofdpijn. Het zal m’n gevoel van eigenwaarde niet aantasten. Integendeel: ik zal me er goed over voelen dat ik hieraan mee doe.

Stilletjes hopend dat de actie tijdens m’n vakantie zou vervliegen en ik het wel of niet meedoen niet verder zou hoeven overdenken, klapte ik eind juli m’n laptop voor een paar weken dicht. Op vakantie heb ik twee weken als een bezetene het transfergebeuren in de voetballerij gevolgd. Naast Feyenoord ben ik vrij fanatiek supporter van het Londense Arsenal, en daar stonden na een heel aantal magere jaren een paar recordtransfers op stapel. Een “recordtransfer” is een krankzinnige hoeveelheid geld die wordt betaald om een speler die marginaal beter is dan wat je al hebt van een andere club over te nemen, en om hem vervolgens elke week een krankzinnige hoeveelheid geld in salaris uit te betalen. Voor supporters is de logica simpel: hoe meer geld de club uitgeeft, hoe groter de kans op prijzen. Hoe meer je uitgeeft, hoe beter.

Om bovenop de laatste ontwikkelingen te zitten keek ik meerdere keren per dag wat de voetbaljournalisten meldden op twitter. In de eindeloze stroom berichten waar ik doorheen scrolde zag ik dan ook steeds de updates van Ellen voorbij komen, waardoor de Challenge in m’n gedachten bleef. Ik sprak erover met m’n vriendin. ‘Moet ik dit nou doen?’ ‘Ons standpunt gaat toch niet veranderen, is het dan niet hypocriet om een beetje “solidair” te doen?’ ‘Maar als ik het niet doe, verlies ik dan m’n recht van spreken?’ ‘Moet ik me door zoiets laten leiden?’ ’Maak ik het niet veel te persoonlijk?’ ‘Til ik er überhaupt niet veel te zwaar aan?’ Tot een conclusie kwam ik niet – ik hoopte nog steeds dat dat ook niet zou hoeven.

Direct na terugkeer bleek dat ijdele hoop: in mijn mailbox zat een verse mail van de organisatie met opnieuw de uitnodiging. Ik zou in ieder geval, uit goed fatsoen, moeten reageren – en dus een besluit moeten nemen. Dat stelde ik een paar dagen uit. Tijdens die dagen realiseerde me dat ik steeds zocht naar redenen om niet te hoeven, en het duurde even voordat ik boven tafel kreeg waarom. Er zat een diepe weerzin in me tegen het idee dat ik me weer arm zou voelen. Ondanks de fantastische manier waarop m’n moeder het heeft gedaan, ondanks het optimisme en het durven dromen dat ze ons heeft bijgebracht, en ondanks dat ze zelfs de moeilijkste momenten altijd wist om te draaien naar iets positiefs, hebben sommige ervaringen toch wat van me afgeknaagd. Stomme dingen, die er op die leeftijd erg toe lijken te doen. Zoals dat m’n vriendjes vaker en verder op vakantie gingen. En dat ze mooiere kleren droegen. Wat wìlde ik ook graag zulke mooie Ralph Lauren overhemden, die op de ene na die ik ooit tijdens de uitverkoop mocht kopen veel te duur waren. Wat wilde ik ook graag een meisje van de hockeyclub, maar waar ik me ergens niet goed genoeg voor voelde. Wat wilde ik eigenlijk stiekem graag bij het studentencorps, maar waar ik dacht tussen alle zoons uit rijke families toch niet op m’n plek te zijn. En wat wilde ik ook graag die air van zorgeloosheid kunnen voelen en uitstralen. Het behoort allemaal tot het verleden, maar iets in me verzette zich ertegen om die knagende armoedigheid opnieuw te ervaren. Helemáál achter me lag het klaarblijkelijk dus toch nog niet. Dat was confronterend. Niet alleen voor mij persoonlijk, maar ook voor mijn begrip van armoede. Mijn moeder, broertje en ik hebben ons er helemaal aan kunnen ontworstelen. Zij woont heerlijk in een appartement in De Esch en leeft regelmatig als een godin in Frankrijk; mijn broertje wordt binnenkort gepromoveerd tot kapitein bij de Koninklijke Luchtmacht en heeft de kunst van het levensgenieten tot nieuwe hoogten gebracht; en ik ben afgelopen zomer verloofd met het mooiste meisje van de hockeyclub, ik draag van die Ralph Lauren hemden die ik toen zo begeerde, en ik heb de grote eer om het volk van de vetste en meest interessante stad ter wereld te vertegenwoordigen – schouder aan schouder met de vent die, als ik lid was geworden van het corps, daar mijn president zou zijn geweest. In alles is ons leven honderdtachtig graden bijgedraaid, we hebben het goed en we laten het ons erg goed smaken – maar toch zitten sommige van die littekens er klaarblijkelijk nog steeds. Hoe moet dat dan zijn voor anderen, voor wie dat helemaal niet of maar ten dele geldt. Armoede snijdt dieper dan ik dacht.

Toen dit besef tot me doordrong, was de beslissing direct gemaakt: als ik al zoveel leer voordat ik er überhaupt aan ben begonnen, zowel over mezelf als over het fenomeen, dan moet ik wel. Bovendien wilde mijn vriendin inmiddels de uitdaging ook wel aan. Ik mailde de organisatie dat we – graag – mee wilden doen.

De Challenge

Grappend wijt ik het vaak aan mijn Duitse achtergrond, dat doe ik vaker, ik ben opgegroeid in een tijd dat een Duitse tongval zoals ik jarenlang heb gehad je niet populair maakte, en dit is een goede manier voor me geworden om daarmee om te gaan, maar ik ga graag grondig, oftewel Gründlich, te werk. Dus toen de zondag waarop onze Challenge begon daar was, ging ik allereerst aan de slag met de administratie. Met de website van het Voedingscentrum erbij zette ik op een rij wat je in een week zoal aan energie en voedingsstoffen binnen moet krijgen, en vervolgens berekende ik met welke producten je dat voor zo min mogelijk geld in huis haalt. Interessant: je ontkomt niet aan aardappelen of rijst voor de energie, maar met rijst (146Kcal) krijg je daar per honderd gram bijna twee keer zoveel van binnen als met aardappelen (83 Kcal). Neem dan wel zilvervliesrijst, want dat is weliswaar iets duurder, maar bevat veel meer vitamines dan witte rijst en ‘vult’ langer. We maakten een lijst met producten die we gedurende de week zouden kunnen gaan gebruiken en ik deed een rondje langs supermarkten in de buurt om prijzen te vergelijken. De Lidl blijkt voor bijna alles het goedkooptst te zijn, behalve voor vlees, waarvoor je naar de Turkse slager moet. En Albert Heijn heeft onder de bonus-aanbiedingen vaker echt superdeals, zoals in onze week twee zakken aardappelen voor de prijs van één. 

Hoewel we, na het maken van een concreet weekplan, later die middag samen de boodschappen daadwerkelijk zouden gaan doen, nam ik bij de Turkse supermarkt vast een grote doos eieren mee, waar die veruit het goedkoopst zijn. Vanwege een leveringsprobleem stond er namelijk nog maar één, en ik wilde niet riskeren dat ze straks uitverkocht zouden zijn. Een tasje had ik niet bij me en tien cent om er een te kopen vond ik te duur, dus met de doos onder de arm stapte ik op de fiets. Toen ik bij de zijuitgang van Eudokiaplein de stoep afreed kwam er onverwacht een auto achteruit mijn kant op en kon ik, onwennig met maar één hand aan het stuur, maar met moeite voorkomen dat ik er achterop knalde en de eieren te pletter vielen. Toen greep het me naar de keel: shit, als ik deze doos nu laat vallen heb ik een groot probleem. Dertig eieren weg, ruim zeven procent van ons budget weg. Nog nooit had zoiets doodgewoons als een doos eieren zoveel waarde voor me, en nog nooit hield ik, vervolgens, een doos eieren zo vastberaden vast zoals een leeuw zijn prooi als hij omringd is door hyena’s. Het moet er grappig uit hebben gezien. 

Toen kwam het weekplan. Wij leven normaal erg bij de dag. ‘Wat zullen we vanavond eens eten?’, zo rond kwart voor vier. ‘Waar heb je trek in?’, om half vijf. ‘Rij jij straks even langs Appie of zal ik?’ ‘Ik werk even door, ik bestel wel wat.’ Zo een beetje. Voor zulke ongedwongenheid zou deze week geen plek zijn, realiseerden we ons. Met z’n tweeën van vijftig euro rondkomen en goed en gezond eten kan, maar dan moet je wel plannen en slim inkopen. Voor het eerst van m’n leven wist ik nu dus op zondag wat ik dinsdagochtend, donderdagmiddag, en zaterdagavond zou gaan eten. Voor 41,89 euro waren we rond: 36 maaltijden, eten en melk voor de kat, tandpasta, koffie, en voor elke dag een appeltjes voor tussendoor. Zij zou een dag meelunchen op haar werk en had een teametentje op kosten van de zaak en ik heb op woensdag altijd raadscommissievergaderingen in het Stadhuis waarbij we ‘s middags en ‘s avonds een broodmaaltijd krijgen. Op vrijdagavond waren we uitgenodigd om te komen eten bij m’n broertje. 

Een mooi begin, nu zou het een kwestie zijn van gedisciplineerd uitvoeren. Daar kwam al maandagmiddag bijna de klad in. Ik had natuurlijk keurig lunch meegenomen naar m’n werk, die bestond uit bruine bonen met spek en stroop. Ongelofelijk lekker – en erg voedzaam. Maar, ontdekte ik rond drie uur, met net te weinig energiewaarde. Geld om even een tussendoortje te kopen, wat ik normaal zou doen, was er niet. Met een knorrende buik moest ik het uitzingen tot het avondeten. Een nieuwe ervaring. Wat smaakte ‘s avonds de rijst met diepvriesgroenten, sambal en een beetje kip goed. In de dagen erna kreeg ik er lol in om het eenvoudige, maar lekkere en voedzame eten op Twitter aan te prijzen. Bespaartips, daar zijn Nederlanders gek op, merkte ik. Heel even werd de Challenge zo zelfs een beetje leuk, of althans, het gaf voldoening en plezier. Al had het onderhuids ook andere effecten op hoe ik me voelde. Woensdagnacht droomde ik dat ik m’n werk verloor en een aantal spullen waar ik erg aan hecht moest verkopen, zoals de MacBook die ik vorig jaar na hard werken en sparen voor mezelf had gekocht. 

Bovendien gaat de Challenge natuurlijk over meer dan goedkoop eten. Het meest beklemmend vond ik het besef dat je van dit budget nauwelijks kunt reizen en geen geld hebt voor sociale activiteiten buiten de deur. Wij werken allebei in de stad en kunnen alle dagelijkse bestemmingen makkelijk met de fiets bereiken, dus daar ging geen geld aan op. Voor veel mensen is dat lastiger. Maar een auto hebben gaat eigenlijk niet, en ook het OV is gierend duur. Een leuk feestje in Amsterdam waar ik voor was uitgenodigd, moest ik deze week dus helaas laten schieten. Anderen kunnen soms – of vaak – bij iets veel belangrijkers niet zijn. Ook de kroeg, laat staan is een terrasje of discotheek, is onbetaalbaar. Je vrienden die wél geld hebben kunnen het allemaal gewoon doen, en jij niet. Die willen in eerste instantie misschien best nog wat voor je betalen, maar dat houdt een keer op. Je wereld kan zo vrij snel erg klein worden, en je kunt van je vroegere sociale wereld geïsoleerd raken. Je eigen buurtje, de mensen die je er kent, en de vrienden en familie die je in de buurt hebt, worden zo veel belangrijker voor je dan voor mensen die het geld hebben om in feite te gaan en staan waar ze willen. Je bent erop aangewezen. Dat je aan die eigen buurt daardoor ook veel sterker gaat hechten dan anderen, is alleen maar logisch. Die gewaarwording maakte indruk op me, en heeft me ook sindsdien veel aan het denken gezet. Weinig geld hebben betekent niet alles gewoon een beetje minder, maar betekent voor heel veel dingen van het moderne leven gewoon niet. Het is alsof je in een prachtig pretpark zit, met overal om je heen mensen die genieten van lekker eten en leuke attracties, en je mag zelf nergens in, je kunt niks kopen, sterker nog je zit vast aan een bankje ergens langs de rand en bent verplicht het allemaal de hele dag te aanschouwen. Dan ziet de wereld er echt anders uit. 

De lessen

De grote vraag waar de hele Challenge naartoe leidt is net zo eenvoudig, als het antwoord erop ingewikkeld is: en nu? Wat gaan we doen? Een grote valkuil van de mens is om in nieuwe ervaringen, onbewust, vooral de elementen op te pikken die bevestigen wat je al vond. Ook in deze Challenge kan iedere politicus vast een onderstreping zien van het standpunt over armoede dat je al jaren hebt. Links kan zeggen: ‘Het is verschrikkelijk, met alle rijkdom die er in Nederland is, is het een onmenselijk om mensen in armoede te laten leven. Geef ze er gewoon wat geld bij.’ En rechts kan zeggen: ‘Nee, het is geen vetpot, maar het is nou ook niet dat je sterft van de honger. Het leefgeld van iemand in armoede hier, is net zo veel als het gemiddelde maandsalaris in sommige andere Europese landen. Voor iedereen die wil, zijn er in Nederland alle kansen om er wat van te maken.’ Beide standpunten zijn een beetje waar, en een beetje niet. 

Ja, het is te gek voor woorden dat in de mooiste stad van Nederland één op de vijf kinderen opgroeit in armoede. Dat is een morele overtuiging, die ik van harte deel. Met de redenering dat het zo gek is omdát hier óók zoveel rijkdom is, heb ik minder. Als je naar de wereld kijkt, dan is er geen duidelijke relatie tussen veel rijkdom en weinig (relatieve) armoede. Sterker nog, in de meeste landen met extreme rijkdom is er óók extreme armoede. Er is geen bewijs voor dat het simpelweg op nog grotere schaal herverdelen van geld door de overheid dan we in Nederland al doen, armoede kan oplossen. In landen waar dat nog meer dan hier gebeurt, de weinige naar echt socialisme neigende landen die er nog zijn, wordt binnen niet al te lange tijd simpelweg iederéén arm. De reden waarom het gek – en onnodig – is dat nog zoveel mensen in armoede leven, is veel eerder dat we de afgelopen eeuw in Nederland nou juist meer dan in bijna alle andere landen onze maatschappij tot emancipatiemotor hebben omgevormd. Onze hele maatschappij is erop gericht om sociale stijging mogelijk te maken, en onze maatschappij is daarin ook ongekend succesvol. In Nederland weten we precies, zogezegd, wat ervoor nodig is om ieder dubbeltje een kwartje te laten worden. Ik ben er zelf een voorbeeld van. ‘Te gek voor woorden’, is het dus vooral dat dit ons hier in Rotterdam nog zo slecht lukt en dat armoede hier nog steeds zo vaak erfelijk blijkt te zijn. Overigens bedoel ik dat niet letterlijk, vriend Nourdin el Ouali, als je meeleest. 

Waar rechts ten dele gelijk in heeft, is dat armoede relatief is. Armoede in Nederland, is maar in weinig te vergelijken met de schrijnende toestanden in veel andere landen, zelfs binnen Europa. Of je nou in Berlijn, Athene, Lissabon, Parijs, Barcelona of Brussel bent: armoede daar ziet er echt anders uit dan hier. We geven jaarlijks zo’n 85 miljard euro uit aan uitkeringen en inkomensondersteuning, en dat is ongelofelijk veel. Dat mag echter niet betekenen dat we het er dan maar bij laten zitten. Ook is het waar dat er hier voor iedereen kansen zijn om vooruit te komen in het leven. Maar dat mag niet betekenen, als we zien dat veel mensen die kansen toch niet weten te vinden of te grijpen, dat we vinden dat het verder, tja, toch een beetje ‘eigen schuld, dikke bult’ is. Het simpele feit is namelijk dit: zelfs als je vindt dat aan onze morele verantwoordelijkheid is voldaan, omdat hier dankzij die enorme pot van 85 miljard euro niemand meer compleet door het ijs zakt, dan nog is het in het belang van ons allemaal om elk van die honderdduizend Rotterdammers uit de ellende te sleuren. We hebben het hier namelijk over honderdduizend, honderdduizend, mensen wier talenten en productiviteit niet tot hun recht komen. Het gaat om honderdduizend mensen die veel meer zouden kunnen bijdragen dan ze nu doen, omdat te veel tijd en energie nu wordt opgeslokt door simpelweg het hoofd boven water houden. 

We zijn als samenleving een team. Een team dat elke dag opnieuw een klein wonder verricht: deze stad, met de ongekende vrijheid, welvaart en kwaliteit van leven die we hier hebben, draaiende houden. Om dat vol te houden, in een tijd vol toenemende concurrentie zoals de opkomst van China opkomt en dreigingen zoals de opwarming van de aarde, hebben we van iedereen het beste nodig. Als we dat van één op de zes leden van ons team niet krijgen, dan is dat niet hun ‘eigen schuld dikke bult’, maar dan is dat een probleem voor ons allemaal. Dat is geen toekomstmuziek. Je ziet het in de tekorten die we nu al overal hebben. In de bouw. Bij de politie. In de zorg. In de horeca. In ICT. In het bedrijfsleven. Zouden die tekorten er zijn als we erin slagen om elk van die honderdduizend mensen op honderd procent te laten meedoen, in plaats van op tachtig, vijftig, of helemaal niet? En naast arbeidskracht hebben we ook meer dan ooit goede, slimme ideeën nodig. Elk van die kinderen die opgroeien in armoede, en daardoor op allerlei manieren worden tegengehouden, zou het genie kunnen zijn dat op het idee komt voor de volgende technologische of sociale doorbraak. Honderdduizend mensen in armoede, is honderdduizend (gedeeltelijk) gemiste kansen, elke dag opnieuw. Voor henzelf, en voor ons allemaal. Dat vind ik moeilijk te verdragen. Dus als je me vraagt: wat nu? Dan zeg ik: tijd voor actie. 

Eén simpele oplossing is er niet. Er is niet één knop die we om kunnen draaien. Wat er moet gebeuren stel ik me voor als zo’n DJ-paneel, met allemaal schuifjes. Elk schuifje staat voor iets dat er collectief, onderling of individueel moet gebeuren. Alle schuifjes moeten tegelijk geleidelijk omhoog. 

Ten eerste moet het genadeloze misbruik van mensen die financieel in de problemen zitten worden aangepakt. De schuldenindustrie, met incassobureaus en deurwaarders die mensen dieper de ellende in duwen en met bewindvoerders die veel verdienen en vaak nauwelijks helpen, moet flink worden hervormd. Ten tweede moeten we een serieuze discussie hebben over de ongebreidelde commerciële beïnvloeding en zelfs manipulatie van mensen. Er is een miljardenindustrie van marketingprofessionals ontstaan die precies weten hoe ze mensen kunnen verleiden om aankopen te doen die ze niet nodig hebben en zich eigenlijk niet kunnen veroorloven. Is het helemaal de eigen verantwoordelijkheid van mensen om daar weerstand tegen te kunnen bieden? Ik vraag het me steeds meer af. Ten derde zouden soft skills, de sociale en andere vaardigheden die je nodig hebt om in onze maatschappij succesvol je weg te vinden, een groter onderdeel van moet vormen van het onderwijs dat we onze kinderen bieden. Velen krijgen dat niet van huis uit mee, en dat houdt kinderen tegen. Ten vierde moet de sociaal-economische opbouw van onze stad veel gezonder worden. De stad is te gesegregeerd. Armoede is ook een gevolg van sociaal-economische eenzijdigheid. Je hebt wijken nodig waar de succesvollen niet gedwongen zijn te vertrekken, maar waar die in de buurt blijven en, heel letterlijk, kansen geven aan hun omgeving en een positief rolmodel kunnen zijn. Juist omdat mensen in armoede in hun bewegingsvrijheid beperkt zijn en hun leven zich dus voor een groot deel in de eigen wijk afspeelt, is dat cruciaal. Ten vijfde moet de politiecapaciteit flink worden vergroot. De politie richt zich door een chronisch tekort vaak alleen op de ‘grote vissen’, waardoor jongeren die lager in de criminele hiërarchie rondhangen veel te lang praktisch hun gang kunnen gaan. Dat levert heel veel negatieve rolmodellen op, houdt wijken in een negatieve spiraal, remt investeringen en de komst van bedrijvigheid en kansen, en houdt kinderen tegen om het juiste pad te kiezen, succesvol te worden en zelf na verloop van tijd kansen en een goed voorbeeld aan anderen te kunnen bieden. Ten zesde moet het stelsel van toeslagen anders, en dan met name het systeem van maandelijkse voorschotten en jaarlijkse eindafrekeningen. Dat leidt tot te veel onzekerheid en problemen. Ten zevende moet de begeleiding vanuit de bijstand naar werk intensiever en vooral ook positiever, met meer aandacht voor het systematisch helpen vergroten van de mentale en fysieke belastbaarheid van mensen. De Rotterdamse oud-atleet Patrick van Luijk is met zijn BioCheck een fantastische pionier op dat vlak. Die inzichten en werkwijze zouden de norm moeten worden. Ten achtste zouden alle succesvolle Rotterdammers, naast het netjes betalen van hun belasting, hun eigen verantwoordelijkheid moeten pakken door hun ervaring, kennis en netwerk aan kinderen uit minder fortuinlijke omgevingen beschikbaar te stellen. Er zijn bijvoorbeeld prachtige mentoringprogramma’s zoals Giving Back, waar ik zelf ook aan meedoe, waar, als je naar de schaal van het probleem kijkt, nog gênant weinig Nederlanders aan bijdragen. Het sociale weefsel moet niet alleen binnen elke buurt en elke wijk sterker, maar ook binnen de hele Rotterdamse samenleving. Ten negende moeten we investeren in ons teamgevoel. In onze teamgeest. We moeten ons beseffen dat we samen een team zijn, waarin niet alleen naar onszelf en naar de coach moeten kijken, maar ook naar elkaar. We moeten het schouder aan schouder doen. Een duidelijkere, meer bewust beleefde gedeelde Rotterdamse identieit is daarvoor noodzakelijk. En ten tiende, en ten slotte, moeten mensen in armoede natuurlijk zelf aan de bak. Uiteindelijk kunnen we collectief en sociaal de perfecte omstandigheden creëren, maar we kunnen het niet voor mensen doen. We kunnen het wel beter te doen maken, maar nooit makkelijk. Mijn moeder heeft fantastische hulp gekregen, een opleiding van de gemeente, maar zelfs dan is en blijft het keihard werken, tegenslagen overwinnen, twijfel de baas worden, zelfvertrouwen ontwikkelen, tigduizend keer al je moed verzamelen, ondanks alles positief blijven en volharden. Dat vraagt veel van een mens. Maar het kan. 

Ik schrijf deze laatste zinnen op een fraai dakterras in Athene, met uitzicht op de adembenemende Akropolis, waar ik samen met m’n broertje en m’n moeder ben om haar zestigste verjaardag te vieren. We kunnen het ons nu veroorloven. Reizen, lekker eten en drinken, leven als de goden waar hier duizenden jaren geleden indrukwekkende tempels voor werden gebouwd. Wie ons dat vijventwintig jaar geleden had verteld, in ons woonkamertje in een Capelse flat, met de kast met potjes waarin werd gespaard voor de vaste lasten en de onverwachte uitgaven, hadden we misschien niet durven geloven. Maar het is voor ons gelukt. We hebben het achter ons gelaten. Zelfs zozeer, dat ik nog maar een paar weken geleden dacht het allemaal wel te weten en weinig van zo’n ‘weekje skeer’ te kunnen leren. Met m’n polo van zestig euro. Ja, voor ons is het gelukt. Nu voor de rest nog. 

Categorieën
Gemeenteraad

Spreektekst in debat over afvalligheid

Voorzitter,

Vrijheid van religie. Nederland is er groot mee geworden. Letterlijk. Het was de godsdienstvrijheid die in de late 16e eeuw vele tienduizenden Vlamingen naar de zeven provinciën lokte, de Gouden Eeuw op gang bracht, en van ons land een wereldwijk maakte. Sindsdien hebben we in ons land een stevige traditie van vrijheid van geweten, van religie, en van meningsuiting. De identiteit van ons land is al eeuwenlang dat hier ieder individu de vrijheid heeft om uitdrukking te geven aan zijn eigen individuele identiteit, en dus te geloven waarin hij wil. Ook als dat niks is.

Althans: van de overheid hebben we die vrijheid sindsdien altijd gekregen. Om ook van elkáár die vrijheid te krijgen, heeft er heel wat meer water door de Maas gemoeten. Vooral bínnen gemeenschappen heeft dit heel lang erg lastig gelegen. De generatie van mijn ouders heeft dat nog aan den lijve ondervonden. Nog maar kort geleden wist iedereen in Nederland: ‘twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen’. Wie trouwde met iemand van een ander geloof, hoefde in veel families niet meer op de koffie te komen. En wie helemaal ‘van zijn geloof viel’, nog zo’n mooie uitdrukking, die werd in de dorpen met de nek aangekeken en botweg uitgesloten. Deze strijd is na eeuwen nu grotendeels gestreden, maar we zijn er nog niet helemaal. Nog steeds leggen mensen elkaar met allerlei sociaal geweld geloof op. 

Dat is zeer actueel. Twee dagen geleden zagen we hoe in Ruinerwold kinderen jarenlang in een kelder gevangen werden gehouden, schijnbaar als gevolg van een extreem geloof. En we hebben ook allemaal nog de beelden op het netvlies van de radicale indoctrinatie die op sommige religieuze schooltjes plaatsvindt – ook in Rotterdam. Van jongs af aan krijgen kinderen aangeleerd dat er in feite niets ergers is dan ongelovige te zijn, en afvallige zijn is zo mogelijk nog erger. En zelfs als je er simpelweg blijk van geeft om iets mínder te geloven, dan is dat reden om de banden te breken. Uit verschillende gemeenschappen zijn er dan ook genoeg verhalen van mensen die te maken hebben gekregen met intimidatie of wraak. 

Het is belangrijk dat we die mensen helpen. Wie ervoor kiest om anders te geloven of niet meer te geloven, die maakt gebruik van een fundamentele Nederlandse vrijheid, en die moet daarbij op de volle steun van de samenleving kunnen rekenen. 

Voorzitter, daarom een aantal vragen aan het College.

  1. Wat weten wij van de omvang van het probleem van uitsluiting, intimidatie van en wraak tegen afvalligen in onze samenleving?
  2. Hoeveel aangiftes of andere politieregistraties worden daar jaarlijks van gedaan?
  3. Op wat voor hulp en ondersteuning kunnen slachtoffers daarbij rekenen? Is dat in de ogen van het College voldoende?
  4. Op welke manier gaan we preventief te werk, door duidelijk te communiceren dat afvalligheid in Nederland ieders recht is? Oftewel, op welke manier wordt die norm gesteld? 
  5. Op welke manier maakt het College dit bespreekbaar in gemeenschappen waarin het een taboe is? Ziet het College het als zijn taak om dat te doen?
  6. En ten slotte, hoe wordt op Rotterdamse scholen met dit thema omgegaan? 

Categorieën
Gemeenteraad

Spreektekst debat n.a.v. onthullingen NRC/Nieuwsuur over salafistische scholen

Voorzitter, dank u wel 

Het is wat de VVD betreft simpel. 

Mag je dit een rotland vinden? Ja dat mag je.

Mag je bekrompen ideeën hebben over homoseksualiteit? Dat mag ook.

Mag je een traditionele rolverdeling willen binnen je huwelijk? Zeker.  

Mag je ‘gewoon vroom’ willen leven? Ja dat mag ook

Mag je zoveel mogelijk willen leven zoals een groepje dat in het Midden-Oosten deed zo’n 1400 jaar geleden? Ja, het lijkt mij erg onpraktisch, maar dat mag je ook.

In Nederland heb je die vrijheid. En je hebt die vrijheid onder slechts één voorwaarde: dat je de vrijheid om ongestoord je eigen pad te kiezen ook aan anderen geeft. 

Vrijheden is er niet om op te eisen, uit te kauwen en over een ander heen te spugen. Vrijheid is er alleen voor wie die vrijheid netjes doorgeeft. Met twee handen en een glimlach.  

Dus wat niet mag, is kleine kinderen aanleren dat homoseksualiteit eigenlijk gestraft hoort te worden met de dood. 

Of kleine kinderen leren dat ze niet met andersgelovigen, minder-gelovigen of niet-gelovigen horen om te gaan. Dat mag niet. 

Of kleine kinderen de zichzelf vervullende verwachting aanleren dat de buitenwereld bedreigend voor ze is, en vijandig naar ze is, en dat hier geen plek voor ze is. Dat mag niet. 

Het interesseert me niet onder welke vlag zoiets gebeurt, of dat nou een religie is, een ideologie, of wat dan ook. Dat maakt het niet erger dan het is. En dat maakt het ook zeker niet acceptabeler dan het is. Het kale, naakte feit is dat jonge, beloftevolle en weerloze kinderen een wereldbeeld vol angst, afkeer en haat door de strot wordt geduwd. Het is radicale indoctrinatie, die pervers genoeg plaatsvindt met een beroep op de vrijheid. Vrijheid opeisen om daarmee de vrijheid aan anderen te ontnemen. Dat mag niet. Daar is geen enkele vrijheid voor bedoeld.  

Voorzitter, het pijnlijke is dat wij het hier in april van dit jaar en zelfs in januari van vorig jaar al over eens leken te zijn. Als kwetsbare kinderen in hun ontwikkeling worden gehinderd, zei de burgemeester in april en vorig jaar, dan ja, dan moet de gemeente daartegen optreden. Ten allerminste heeft de gemeente dan de taak om met de ouders in gesprek te gaan en hen indringend te vragen of zij zich realiseren wat ze aanrichten. Maar, verzekerde hij ons, er zijn geen aanwijzingen dat dit in Rotterdam nodig is. 

Voorzitter, ik heb daarom achttien vragen aan de burgemeester:

  1. Allereerst: heeft u de bevindingen van NRC en Nieuwsuur inmiddels kunnen verifiëren?
  2. Vindt hij dat het type informeel salafistisch onderwijs dat NRC en Nieuwsuur hebben geopenbaard kwetsbare kinderen in hun ontwikkeling hindert? Of valt dit wat hem betreft onder “onschuldig onderwijs in orthodoxe opvattingen”, om woorden te gebruiken die hij in april gebruikte? Als hij dat vindt, hoe verhouden deze “orthodoxe opvattingen” zich dan tot de burgerschapsdoelen die van links tot rechts worden omarmd? 
  3. Is hij het met de VVD eens dat hier sprake is van hoogst onwenselijke radicale indoctrinatie die beschadigend is voor de kinderen in kwestie en de democratie en onze open samenleving ondermijnt? 
  4. Hoe kan het dat de gemeente niet wist dat we in onze stad wel degelijk twee moskeescholen hebben waar dit soort radicale indoctrinatie plaatsvindt? 
  5. Wat is de kwaliteit van de informatiepositie van onze gemeente, ondanks de ferme zelfverzekerde woorden die daarover bij herhaling zijn uitgesproken, als we dit niet wisten? Hoe kan het dat ons netwerk van sleutelfiguren dit heeft gemist? Of als ze het wel hebben wel opgemerkt, niet hebben gemeld? 
  6. Hoe kijkt het College nu terug op de nogal passieve grondhouding die spreekt uit de Collegebrief over informeel onderwijs, die we naar aanleiding van de bespreking in april hebben ontvangen, waarin met zoveel woorden staat dat we nu eenmaal geen goed overzicht van het informeel onderwijs hebben en dat we het verkrijgen daarvan maar aan de Rijksoverheid overlaten? 
  7. Hoe verhoudt dat zich tot wat de verantwoordelijk wethouder in april tijdens het debat liet weten, namelijk dat ieder jaar de veiligheid, het pedagogisch klimaat, en de bevordering van burgerschap in jeugdverblijven zoals de moskee-internaten wordt onderzocht? Hoe gebeurt zo’n onderzoek? 
  8. Waarom heeft de -terechte- obsessieve focus op gelijke kansen voor alle kinderen en de terechte houding dat we daarbij verder gaan dan wettelijk noodzakelijk, mogelijk niet gegolden voor kinderen op religieuze instellingen? Waarom wist de gemeente het niet, of wilde de gemeente het niet weten, of was de gemeente angstig om bij vermoedens door te pakken, of werd het – God verhoede dat dat is wat er aan de hand is – onder het tapijt geschoven omdat het bestuurlijk, politiek of maatschappelijk gevoelig ligt? 
  9. Kan de burgemeester ons verzekeren dat kwesties als deze nooit onder het tapijt worden geschoven, uit bezorgdheid over de mogelijk polariserende uitwerking ervan?
  10. Hoe kan het dat twee journalisten aan het daglicht hebben kunnen brengen wat al onze diensten, ambtenaren, informanten en inspecteurs blijkbaar is ontgaan? 

Voorzitter, tot zover de terugblik. Nu vooruit. 

Veel van wat er moet gebeuren ligt op het bord van de wetgever in Den Haag. 

  1. Allereerst moet buitenlandse financiering eindelijk worden gestopt. Dat staat ook in het regeerakkoord, maar het gebeurt maar niet. Is de burgemeester bereid om samen met de andere getroffen gemeenten op te trekken en bij het Rijk in niet mis te verstane woorden duidelijk te maken wat de maatschappelijke gevolgen zijn van haar gedraal en getreuzel? 
  2. De Onderwijsinspectie moet worden versterkt en een ruimer mandaat krijgen. Is hij bereid ook daarbij op spoed aan te dringen? 
  3. En ja, ik verwacht er geen actie op van het College, maar het is essentieel dat de Kamer op voorstel van mijn gewaardeerde collega Dijkhoff opnieuw werk maakt van een handhaafbaar verbod op organisaties die onder het mom van godsdienstvrijheid de democratie ondermijnen.

Maar voorzitter, we kunnen op dat alles niet gaan zitten wachten. We kunnen ook zelf al wel wat doen. 

  1. Allereerst moet de weerzin tegen deze radicale indoctrinatie die breed binnen de Islamitische gemeenschap zelf leeft worden gemobiliseerd. Is de burgemeester bereid om samen met Islamitische organisaties al het mogelijke te doen om de redelijke krachten te versterken en hen middelen te geven om in actie te komen tegen radicale indoctrinatie? 
  2. Is hij bereid om wijkagenten, BOA’s, wijkteams, scholen en anderen in de haarvaten van de samenleving beter toerusten om radicale indoctrinatie te signaleren en ertegen in actie te komen?
  3. Is hij bereid om met politie, inlichtingendiensten, FIOD, Bouw- en Woningtoezicht een actief verstoringsbeleid te voeren richting instellingen waar radicale indoctrinatie plaatsvindt? 
  4. Is hij bereid om met een afvaardiging van deze raad een besloten expertsessie te organiseren om verdere stappen uit te denken?
  5. En is hij bereid om de grenzen van de wet op te zoeken, bijvoorbeeld die van de Jeugdwet en de Wet herziening Kinderbeschermingsmaatregelen, om kinderen tegen radicale indoctrinatie te beschermen? 

Voorzitter, tot zover mijn vragen.

Ter afronding wil ik via u iets zeggen tegen de vele mensen die de berichten en de uitzending vorige week hebben gezien en zich boos hebben gemaakt, en die zich zorgen maken. Net als ik zelf. Maar wat wij ons moeten realiseren is dat wij niet echt wat te vrezen hebben. Onze liefde voor vrijheid, voor elkaar, voor onze manier van leven, is onwankelbaar. Daar kunnen nog geen miljoen fundamentalisten iets aan veranderen. Wij vormen met z’n allen een stralende berg, waar vanuit de hele wereld begerig naar wordt gekeken. En die berg wijkt geen millimeter, voor niemand. Als er iets is dat we mogen voelen, dan is dat zelfvertrouwen, en trots. En in dat gevoel delen inmiddels ook ontzettend veel Hollandse moslims, die net zo van deze stad en dit land houden als ieder ander. Laten we hen echt omarmen. 

En voor de berg, helemaal beneden in de modder, daar zitten de extremisten, die elke dag vol angst en gruwel naar die stralende berg kijken, en zichzelf een grimmig en uitzichtloos bestaan opleggen. Ze ontzeggen zichzelf alles wat het leven hier zo mooi maakt en zullen nooit volwaardig kunnen meedoen in dit prachtige land.

Daarom zeg ik tegen de mensen waar het vandaag over gaat: Zweer de haat af. Omarm gelijkwaardigheid, en vrijheid. Dan is er ook voor jullie plek op onze berg. Maar de berg komt niet naar jullie. De berg wijkt niet. Jullie zullen naar de berg moeten komen. 

Dankuwel. 

Categorieën
Gemeenteraad

Spreektekst debat ‘acceptatie van diversiteit’

Wij hebben allemaal de wens om het samenleven in onze veelkleurige stad te verbeteren, want dat is nodig. Met z’n allen presteren we elke dag een klein wonder door deze prachtige stad draaiende te houden, maar allerlei problemen zijn helaas óók aan de orde van de dag. We zetten daarom veel tijd en geld in om die problemen aan te pakken en om, zoals ik dat zie, een beter team te worden. Het is goed om de ontwikkeling daarvan te volgen. 

Eén aspect daarvan is de acceptatie van elkaar, in al onze verscheidenheid. Die willen we vergroten. Dat is een flinke klus, die deze wethouder met ongekend enthousiasme oppakt. Hij wil alles doen wat in z’n vermogen ligt, en op of hij dat ook doet, kunnen we hem kritisch bevragen. En we kunnen er ook zelf aan bijdragen. Ik gebruik deze gelegenheid om vast nog eens mijn initiatiefvoorstel bij u te pluggen, waarmee de gedeelde identiteit die we temidden de diversiteit hebben, kunnen versterken. Maar om de wethouder met een Collegetarget ook voor het resultaat politiek verantwoordelijk te houden, gaat mijn fractie een stap te ver. Daarvoor is die mate van acceptatie van te veel factoren afhankelijk die hij niet in de hand heeft. 

We komen als volgt tot die conclusie.  

Acceptatie van verschil, zoals nodig is om samen een beter team te worden is alles behalve vanzelfsprekend. Dat blijkt al heel lang in de praktijk. En interessant is dat er in de laatste jaren ook steeds meer literatuur komt die inzicht geeft in waarom dat zo is. In waarom het voor de meeste mensen zo moeilijk is om samen te leven met mensen die in allerlei opzichten anders zijn dan jij of die anders leven dan je zelf goed vindt. 

Acceptatie van het andere wordt allereerst heel plat bepaald door het beeld dat je daarvan hebt. Dat is lastig in een tijd waarin we via online media voortdurend worden geconfronteerd met de extremen van de verschillende gemeenschappen. Het gewone, de norm, vaak veel minder choquerend, sneeuwt voortdurend onder. Terwijl vele duizenden Rotterdamse Turken deze week net als ieder ander hebben meegewerkt aan de stad, heeft het beeld dat de rest van samenleving van hen heeft helaas een flinke knauw gekregen door het schofterige gedrag van een bruiloftstoet. Dat is een maatschappelijk mechanisme dat we natuurlijk kunnen dempen, door echt persoonlijk contact te stimuleren dus mensen, maar de wethouder kan het niet opheffen. 

Wat dat ook laat zien is hoe belangrijk individueel gedrag is. Elke dag kan er een idioot iets verschrikkelijks doen en we worden weer een paar stappen achteruit geworpen.

Daarnaast wordt acceptatie ook bepaald door hoe mensen zichzelf voelen. Door hoe het met ze gaat, door hoe sterk hun eigen individuele identiteit in relatie tot collectieve identiteiten is, door hoe veilig ze zich voelen, en noem maar op. Bij wie dat allemaal snor zit, is er veel grotere bereidheid om open te staan en nieuwsgierig te zijn naar het andere. Om het andere niet als bedreiging, maar als verrijking te zien. Dit College doet in de breedte zijn stinkende best om van Rotterdam een stad te maken waarin iedereen die state of mind kan bereiken, maar daar zijn we nog lang niet. 

Én acceptatie wordt ook bepaald door de mate waarin mensen de moeite willen nemen om elkaar als individu, in plaats van als lid een groep te zien. En mensen daarvan overtuigen wordt steeds moeilijker in een tijd waarin groepsdenken en identiteitspolitiek welig tieren, waarmee mensen op basis van historische gebeurtenissen, huidskleur, sekse, seksualiteit, afkomst of geloof in groepen worden opgedeeld en tegen elkaar opgezet. Groepsdenken wordt door populisme en activisme van allerlei kanten aangemoedigd en belangrijk gemaakt, en ook dat zit de acceptatie in de weg. De wethouder kan er wat tegenin brengen, dat doet hij ook bij elke kans, maar deze maatschappelijke teneur eigenhandig bijdraaien, dat is helaas geen redelijke opdracht.

Dit allemaal betekent niet dat het onmogelijk is wat we willen, helemaal niet, maar wel dat het verduveld complex is en dat het slagen ervan helaas niet helemaal op dit Stadhuis wordt bepaald.

Wat het met andere woorden voor mijn fractie wel betekent: Collegetarget en politiek afrekenen nee, keihard aan het werk omdat het zo verdraaid belangrijk is: ja. En een vinger aan de pols houden door middel van een indicator: zeer zeker. Ten slotte, een specifieke vraag: hoe representatief is de selectie Rotterdammers die deelnemen aan de enquête? Hoe wordt gezorgd leefstijl-, vertrouwens-, en taalbarrières de resultaten niet vertekenen? 

Dankuwel. 

Categorieën
Gemeenteraad

Initiatiefvoorstel Laat de Rotterdamse vlag wapperen

Voor de een is het de liefdesbaby van de vrijheid, voor de ander de bastaard van het kosmopolitisme. Diversiteit. Listige kwestie. Wie z’n best doet, kan beide perspectieven begrijpen.

Naar welk perspectief je ook neigt, waar we het over eens kunnen zijn is dit: in onze veelkleurige samenleving zijn er mensen in letterlijk elke denkbare vorm, kleur, geur en maat, en we missen een gevoel en een besef van wat we nog met elkaar delen en wat ons nog bindt. Saamhorigheid. We missen het gevoel waardoor we weten: wij zitten ondanks al die verschillen wel in hetzelfde schuitje. Wij trekken aan dezelfde kant van het touw. Wij kunnen elkaar vertrouwen. En wij kunnen daarom geïnteresseerd zijn in elkaar, investeren in elkaar, en leren van elkaar.

In de afwezigheid van zo’n gevoel lijken verschillen groter dan ze zijn en worden ze belangrijker dan zou hoeven. In die leemte broeit en borrelt angst, intolerantie, afkeer en afwijzing van elkaar. Omdat we onszelf niet als één groep zien, zien we vanzelf verschillende groepen. En dat is een recept voor ellende. Schadelijk groepsdenken, discriminatie, en het verabsoluteren van het eigene haat liggen dan op de loer. We zien het elke dag meer.D

We kunnen dat niet hebben. Het verziekt de sfeer behoorlijk en het belemmert het mensen die naar beste kunnen en eer en geweten gewoon een fijn leven willen hebben.

Daarom: actie. Doen. Want hoe verleidelijk het ook is om ons te blijven verliezen in het venijn en de complexiteit van de materie, zó ingewikkeld is het allemaal nou ook weer niet. Er staat ons in wezen niets te doen, dat niet al eens eerder gedaan is, of waarvoor de kennis ons ontbreekt. Het is al veel vaker gelukt om mensen tot elkaar te brengen en zich met elkaar verbonden te laten voelen, ook in samenlevingen die er aanzienlijk beroerder aan toe waren dan wij nu.

Natuurlijk, een sluitende aanpak met resultaatgarantie is niet zomaar op tafel te leggen. Maar er is best een lijst acties te formuleren die in ieder geval bijdragen, die we in íeder geval zouden moeten doen. Helemaal bovenaan dat lijstje actiepunten staat dit: maak de symbolen van de gedeelde identiteit in de publieke ruimte beter zichtbaar, en vergroot zo het bewustzijn en de ervaren relevantie van die gedeelde identiteit. En die gedeelde identiteit is: onze stad en de trots die we daarvoor voelen. Rotterdam.

Hoe werkt dat? Zo. Wij mensen ontvangen en verwerken de hele dag allerlei prikkels. Bewust en onbewust sturen die hoe we ons voelen, waar we over nadenken, en zelfs wàt we denken. Sinds jaar en dag wordt daar, door wat reclame en marketing is gaan heten en wat inmiddels een megamiljardenindustrie is, gebruik van gemaakt en op ingespeeld. Laten we de tactieken die zij gebruiken eens inzetten voor de goede zaak.

Eén van die tactieken is het vergroten van ‘mentale aanwezigheid’. De wetenschap erachter is eenvoudig te begrijpen, en gaat zo. In ons brein is ontzettend veel informatie opgeslagen. Zó veel, dat je je niet voortdurend van al die informatie bewust kunt zijn, en zelfs zó veel dat je niet voortdurend al die informatie bij de hand kunt hebben. Iedereen kent wel dat gevoel dat je soms echt even in je geheugen moet ‘graven’ om bepaalde informatie naar boven te krijgen. In zo’n geval is bijvoorbeeld een vraag die aan je gesteld is, een signaal voor je brein om die informatie op te zoeken. Je kunt vaak het best rustig verder met je gesprek en na korte tijd popt het antwoord vol- automatisch bij je naar boven. De natuur is fantastisch.

Met het vergroten van ‘mentale aanwezigheid’ proberen reclamemakers en marketeers zulke signalen aan je brein te geven en zo te sturen welke informatie je, onbewust, bij de hand hebt. Manieren om dat te doen zijn adverteren op goed zichtbare reclamezuilen in de openbare ruimte, of het uitzenden van reclame met een tune die blijft hangen. Elke keer als je dat ziet of hoort, ook als je je er niet eens van bewust bent, maken je hersenen de informatie over dat merk paraat. Zo vergroten reclamemakers de kans dat je, als je bijvoorbeeld door de supermarkt loopt, kiest voor hun product. De in je brein opgeslagen informatie over hun product (zoals een herinnering of iets wat je over hebt gelezen) is immers al paraat en zal dus bij het bekijken van een schap sneller bewust bij je opkomen. En wat bekender voelt is een meer aantrekkelijke keuze. Simpel, en heel effectief. De psycholoog Daniel Kahneman heeft de Nobelprijs voor de economie gewonnen voor onderzoek waarin hij onder meer dit fenomeen aantoonde.

Op een vergelijkbare manier kunnen we mensen zich meer bewust maken van onze gedeelde identiteit, het Rotterdammerschap. We hebben daar geen reclamezuilen of advertenties voor nodig, want de stad heeft een herkenbaar elegant symbool, de vlag, die op veel logische plekken in het straatbeeld past. Het is tijd om dat te benutten.

Nee, het effect zal niet zijn dat we elkaar opeens allemaal snikkend in de armen vallen en dat alle problemen de wereld uit zijn. Maar op de lange actielijst voor beter samenleven is dit een quick win. Iets wat we in ieder geval zouden moeten doen. De kosten zijn, in brede zin, erg laag. Daar staat de opbrengst tegenover dat we er allemaal veel vaker bewust en onbewust aan herinnerd worden dat we Rotterdammer zijn. Dat draagt bij aan het (her)ontwikkelen van ons gevoel van gemeenschap, saamhorigheid, en gedeelde trots.

Een woord van erkenning en waardering, ten slotte, moet worden gericht aan de fracties van NIDA, Leefbaar Rotterdam en DENK, en aan wethouder Wijbenga. Dankzij NIDA werd de verbindende kracht tijdens de vorige raadsperiode al erkend en werd gedurende het bijzondere jaar 2015 de Rotterdamse vlag nadrukkelijker gehesen. Leefbaar Rotterdam deed in dezelfde periode een tevergeefse poging om de vlag als belangrijk symbool van verbondenheid in de Raadszaal te plaatsen, en dankzij DENK is dat onlangs eindelijk gelukt. Dankzij wethouder Wijbenga ligt er een stevige beleidsagenda om meer ontspannen samen te leven, waarin de noodzaak van verbinding en saamhorigheid ruimschoots aan bod komt. Het is nu het moment voor een volgende stap.

Het volledige voorstel (is niet heel lang hoor) kun je hier lezen.

Categorieën
Gemeenteraad

Schriftelijke vragen aan het College over excuses voor het slavernijverleden

Geacht College,

Wij hebben kennisgenomen van de oproep van de burgemeester aan de regering om ‘sorry’ te zeggen voor de slavernij. Zijn pleidooi heeft bij de Rotterdamse VVD-fractie een aantal vragen opgeroepen. 

  1. Sprak de burgemeester namens het College?
  2. Is de burgemeester van mening dat de gehele Nederlandse samenleving verantwoordelijk is of gehouden moet worden voor de aan slavernij gerelateerde activiteiten in de 16e, 17e, 18e en 19e eeuw? Zo nee, welk deel van de samenleving wel en welk niet? 
  3. Gelooft de burgemeester in het fundamentele uitgangspunt van de democratische rechtsstaat, dat individuen slechts verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor hun eigen daden? Zo ja, waarom geldt dat uitgangspunt naar zijn opvatting niet als het gaat om verantwoordelijkheid voor de slavernij?
  4. Recent is een onderzoek van Pepijn Brandon c.s. naar de economische omvang van de aan slavernij gerelateerde activiteiten gepubliceerd, waaruit blijkt dat dit, althans in de tweede helft van de 18e eeuw, ongeveer 5.2 procent van het BBP was. Heeft de burgemeester kennisgenomen van dit onderzoek? Hoe rechtvaardigt de burgemeester de stelling dat de Nederlandse samenleving als geheel verantwoordelijkheid draagt voor die activiteiten? 
  5. Is de burgemeester van mening dat fenomenen als kansenongelijkheid en arbeidsdiscriminatie een (directe) relatie hebben met de slavernij? Zo ja, hoe beoordeelt hij dan de ontwikkeling die Nederland sinds de afschaffing van de slavernij in 1863 heeft doorgemaakt, daarbij in ogenschouw houdende dat in Europees Nederland slavernij nooit was toegestaan? 
  6. Hoe beoordeelt hij in dit licht de ontwikkeling van Nederland tot grondlegger van de Universele Rechten van de Mens en voornaam internationaal voorvechter daarvan, tot grondlegger van de Europese Unie, tot voornaam ontwikkelingspartner van Afrika, tot voorvechter van internationale solidariteit in de breedste zin des woords, en tot gidsland op het gebied van sociaal-culturele ontwikkeling gericht op de gelijkwaardigheid en emancipatie van alle mensen? Is dít niet wat een ‘groot en sterk’ land doet? Voort, zo ja, kan de burgemeester een voorbeeld noemen van een land dat hierin verder is?
  7. Hoe rechtvaardigt de burgemeester, dit alles overwegende, de stelling dat Nederland nog met de donkere bladzijdes uit zijn verleden af moet rekenen? Zijn al deze daden niet veel belangrijker dan welke paar woorden ook?
  8. Is de burgemeester het met de indieners van een initiatiefvoorstel in de Amsterdamse gemeenteraad eens dat excuses voor de slavernij nodig zijn om ‘een morele norm aan de samenleving op te leggen’? Is de burgemeester het met hen eens dat het in onze samenleving nog niet de morele norm is dat slavernij, racisme en discriminatie niet kunnen? Is de burgemeester van mening dat de Nederlandse samenleving zich nog onvoldoende van de slavernij en de onderliggende morele normen heeft afgekeerd? Is de burgemeester van mening dat het slavernijverleden onvoldoende wordt erkend en betreurd?
  9. Is de burgemeester het met de VVD-fractie eens dat dergelijk activisme handelt vanuit een gitzwart beeld van de Nederlandse samenleving, dat de allerdaagse werkelijkheid, waarin mensen uit alle windstreken op voet van gelijkwaardigheid met elkaar samenleven, geen recht doet? Kan de burgemeester zich voorstellen dat dergelijke uitspraken voor veel Nederlanders voelen als een botte trap tegen de schenen? 
  10. Slavernij, als ultieme uiting van ongelijkwaardigheid en als medemenselijkheidsinfarct, is een afschuwelijk fenomeen, waar elke samenleving zich zo ver mogelijk vandaan zou moeten ontwikkelen. Kan de burgemeester het zich voorstellen dat het veel Nederlanders verontwaardigt dat juist in Nederland het slavernijverleden zo op het heden wordt geprojecteerd, terwijl Nederland in de ontwikkeling daar vandaan verder is dan nagenoeg welk ander land ook? 
  11. Is de burgemeester het voorts met de VVD-fractie eens dat het, om te komen tot een meer op gelijkwaardigheid en medemenselijkheid gebaseerde wereld, van groot belang is om te beseffen dat slavernij in de hele geschiedenis, over de hele wereld, op grote schaal is voorgekomen? Zo ja, is de burgemeester dan ook bereid om in zijn internationale contacten bij andere landen met een slavernijverleden, zoals Turkije en de Arabische Emiraten, aan te dringen op de erkenning daarvan?
  12. Is de burgemeester het met de VVD-fractie eens dat het zinvoller is om in de Nederlandse samenleving verbinding te zoeken rond de fundamentele waarde van gelijkwaardigheid en van de versterking daarvan een gezamenlijke opdracht te maken, dan ons te blijven laten verdelen door een verleden waar niemand die nu leeft persoonlijk bij betrokken was?

Ik zie uw beantwoording met belangstelling tegemoet. 

Tim Versnel