Categorieën
Essays

Een jaar debat over diversiteit

Op het valse populisme van Wilders en Baudet wordt terecht al lange tijd een felle lamp geschenen. Ze maken misbruik van onvrede van mensen voor zondebokpolitiek die onze samenleving en ons land ondermijnt. Het is, nu aan het eind van 2018, hoogtijd dat we dit óók doen bij de valse profeten op links, die evenzeer misbruik maken van onvrede van mensen om de samenleving op te delen in een wij en een zij, en meer kapot maken dan ons lief is. 

Het lijkt alweer een eeuwigheid geleden, maar begin dit jaar stond ik op het podium van een Rotterdamse mbo-school om met collega-kandidaatraadsleden en jongeren van de school te debatteren over onze stad. Na afloop schoot een jongedame me aan. Ze was het de volle anderhalf uur die het debat duurde met me oneens geweest en vertelde me, met de niet te miskennen voldane ondeugendheid die hoort bij een kleine maar dappere daad van verzet, dat in haar klas niemand de politie vertrouwt. Want, zo wierp ze me monter voor te voeten, ze hebben allemaal echt wel de filmpjes gezien van politiegeweld tegen zwarte mensen.

Dat deze ideeën goed blijven plakken en zich snel verspreiden is niet gek, want ze bieden een simpele verklaring voor het feit dat sommigen welvarender zijn dan anderen, die de schuld bovendien bij een ander legt. Dat helpt niet, maar het ruimt wel lekker op. 

Bovendien is het in toenemende mate een favoriete verhaallijn voor nogal wat politici en activisten, die onderdeel zijn van of zich verwant voelen aan de social justice warriors uit de Verenigde Staten. Wat zij in Nederland voor het gemak of uit onbezonnenheid vergeten, is dat de feiten over welvaartsverschillen, over kansengelijkheid, over politiegeweld en over racisme hier 180 graden anders liggen dan daar. 
Dat bleek ook tijdens het debat, waar het multiculturele publiek door enkele andere politici werd verteld dat VIGOR-controles (ook bekend als ‘patsercontroles’), waarmee criminelen worden aangepakt die pronken met hun illegaal verkregen goederen, discriminerend zijn en gericht zijn tegen mensen zoals zij. Hiermee perverteren ze het jonge publiek in één moeite op drie manieren. 

Allereerst gaan ze deze patsercontroles als onrechtvaardig zien, terwijl als iemand er uiteindelijk van profiteert wanneer criminelen van straat worden gehaald die jongeren het verkeerde pad op verleiden, juist zij het zijn. Ten tweede wordt een gevoel van verbondenheid opgeroepen tussen het jonge publiek en de criminelen tegen wie de controles gericht zijn, want hen wordt verteld dat ze tot dezelfde groep behoren, namelijk de slachtoffers van het systeem. En ten derde wordt en passant de indruk gewekt dat bij de politie aan de lopende band wordt gediscrimineerd, terwijl daar geen enkel bewijs voor is. 

Kunnen vertrouwen op de integriteit van de politie is wel een voorwaarde om ontspannen in onze maatschappij te kunnen leven. Maar bovenal wordt zo elke keer opnieuw een dreun gegeven op de geïmporteerde wig die onze samenleving wil opdelen in wit en zwart, onderdrukkers en onderdrukten. Het kan uit cynisme zijn of uit onbezonnenheid, maar op het altaar van de politieke populariteitsstrijd sneuvelt zo veel dat het beschermen waard is.

Elke keer weer krijgt de samenleving een dreun als die wordt opgedeeld in wit en zwart, onderdrukkers en onderdrukten. De herinnering hieraan stond me scherp voor de geest tijdens de laatste vergadering van de gemeenteraad van dit jaar. Wethouder Wijbenga moest op het matje komen voor een onhandige uitspraak in de krant. Hij had onder meer gezegd dat de collega’s van Denk hem een racist vinden en zij vonden dat op hun beurt een abjecte leugen. Waar hadden zij dat dan let-ter-lijk gezegd?, wilden ze verbeten van hem weten. 

Letterlijk ‘u bent een racist’ hadden ze, tijdens het Zwarte Pietendebat waar het natuurlijk over gaat, inderdaad ook niet gezegd. Ze kijken wel uit. Maar het gevoel van Wijbenga dat ze hem een racist vinden, kun je hem niet euvel duiden. Ze hadden immers uitgebreid en met grote stelligheid betoogd dat Zwarte Piet racistisch is en dat het bevieren van Zwarte Piet een racistische traditie is. Maar wacht eens, als je mijn traditie waar ik zo van hou racistisch vindt, hoe kun je mij dat dan niet vinden? Dat is toch een logische gevolgtrekking? 

En zelfs als je dan toch iets met hen zou willen meebewegen, dan blijft staan dat juist gekozen politici, die hoog van de toren blazen over verbinding, zich moeten realiseren dat zo’n semantisch onderscheid dat in de eigen schijnbaar ivoren toren nog net te volgen is, helemaal nergens op slaat als het in de samenleving neerdaalt. Dus ook niet bij de wethouder of bij mij. Daar is de boodschap helder: u vindt mij een racist, punt uit. Zeker in de context van het bredere maatschappelijke debat erover. Anderen zijn afgelopen maanden immers nog een stuk verder gegaan en hebben Zwarte Piet neergezet als bewijs van een diepgeworteld institutioneel racisme, helemaal in lijn met de ideeënleer van Social Justice Warriors.

Pikant is dat hiermee juist de grootste bewierrokers van de diversiteit en het multiculturalisme, waarvan toch de essentie is dat verschillende perspectieven op voet van gelijkwaardigheid naast elkaar moeten kunnen bestaan, op deze manier één perspectief, het hunne, verabsoluteren. 

Opnieuw is onduidelijk of dit voortkomt uit cynisme of uit onbezonnenheid, maar zijn de gevolgen fors. Want bij heel veel Nederlanders groeit de verontwaardiging over dit zware verwijt, neemt de zin om zich eens in de ander te verdiepen af, en rijst de vraag of zwarte mensen in hun omgeving hen nu eigenlijk óók een racist vinden, met een verkramping in de omgang als gevolg. 

En omgekeerd zullen veel zwarte mensen zich afvragen of het klopt dat Zwarte Piet racistisch is en of zoveel blanke Nederlanders hen inderdaad minderwaardig vinden. Bovenal wordt huidskleur zo opeens weer heel belangrijk, waar het dat in de beleving van velen lange tijd juist steeds minder was. Terwijl Zwarte Piet, althans bij de officiële intocht, nota bene al lang en breed wordt uitgefaseerd en volgend jaar helemaal nauwelijks meer bestaat! 

De vraag is dan terecht waarom deze ideeën er toch in gaan als klokspijs? Ik ben er hoe langer hoe meer van overtuigd dat het ten diepste gaat over ongelijkheid. Of beter gezegd: over hoe we over ongelijkheid denken en ermee omgaan. Wij leven zoals u weet in een liberale democratie, met een kapitalistische economie. De essentie daarvan is dat mensen in grote mate vrij zijn om te leven zoals ze willen. Hoe goed je je best doet op school, wat voor werk je doet, hoeveel je werkt, wat je in je vrije tijd doet, hoeveel vrije tijd je jezelf gunt, met welke mensen je omgaat, hoezeer je je aanpast aan mensen om je heen, of je het aandurft een bedrijf te starten, of je verstandig met je geld omgaat, of je heel zuinig doet en spaart om een huis te kopen of juist liever blijft huren, hoe goed je je tijd gebruikt, hoe gezond en fit je jezelf houdt, hoe je je kinderen opvoedt, je bent er allemaal vrij in.

Die vrijheid koesteren we allemaal zeer. Ik ken geen Nederlander die ook maar een greintje vrijheid, op welke van deze punten dan ook, zou willen inleveren. Maar nu komt het: deze vrijheid heeft wel als onvermijdelijk gevolg dat de levens van mensen er heel verschillend uit gaan zien, met grote verschillen in kwaliteit van leven en welvaart. Zeker, omdat je als kind de achterstand of de voorsprong van je ouders met je meekrijgt. Het bouwt dus op. Bovendien zien we dankzij het internet en sociale media meer dan ooit de levens van anderen, en zijn er inmiddels enkele generaties Nederlanders opgevoed met het idee vooral rechten en niet zoveel plichten te hebben. En dan begint de schoen te wringen. 

Mensen zijn ontevreden met waar hun leven in vergelijking met anderen achterblijft en op dat moment komt er een politicus of activist langs die zegt: ”Je hebt helemaal gelijk dat je zo boos bent, jij hebt ook recht op die welvaart, maar je wordt gediscrimineerd, ze onderdrukken je, en het is nog veel erger dan je denkt, want kijk maar eens naar de patsercontrole en Zwarte Piet  . . . . ” 

En dan zegt een politicus of activist ineens: ‘Je hebt helemaal gelijk dat je zo boos bent, jij hebt óók recht op die welvaart, maar je wordt gediscrimineerd, ze onderdrukken je, en het is nog veel erger dan je denkt, want kijk maar eens naar de patsercontrole in Rotterdam en landelijk naar het bestaan van Zwarte Piet.’ 

Zo wordt nu van volstrekt gerechtvaardigde ongelijkheid, die namelijk onlosmakelijk bij onze vrijheid hoort, onrecht gemaakt. Onrecht dat door de social justice warriors en hun verwanten uitgedrukt wordt als de systematische onderdrukking van de ene groep door een andere. 

Ten overvloede zeg ik daar gelijk bij: nee, uit helemaal niets blijkt dat verschillen in welvaart in Nederland ook maar enige causale relatie hebben met huidskleur of afkomst. Uit helemaal niets blijkt dat er daadwerkelijk sprake zou zijn van een systematische onderdrukking van groepen. Er is veel meer reden om aan te nemen dat de verschillen tussen autochtone Nederlanders onderling minstens zo groot zijn of zelfs nog groter dan tussen de groep autochtone Nederlanders als geheel en andere groepen. 

Als je naar afkomst zou kijken, geldt waarschijnlijk dat de verschillen binnen groepen in alle gevallen groter zijn dan de verschillen tussen groepen. En waar er al verschillen tussen groepen zijn, is er geen enkel bewijs voor dat die worden veroorzaakt door stelselmatige discriminatie. 

Begrijpelijke onvrede over ongelijkheid wordt zo gekanaliseerd richting boosheid over onrecht en op onze Westerse maatschappij, terwijl die onvrede juist de motor van de eigen vooruitgang zou kunnen en moeten zijn. Juist die onvrede levert de motivatie op om het vele en harde werk te doen dat het van iederéén vergt, ongeacht je afkomst. Om de concurrentie met anderen te winnen, ongeacht je afkomst. En jezelf op de maatschappelijke ladder omhoog te vechten, ongeacht je afkomst. 

Maar jongeren die ontevreden zijn en vooruit willen, krijgen nu te vaak die peptalk niet te horen. Die krijgen te vaak niet te horen dat als er ooit ergens een plek en een tijd was waarin iedereen alle middelen krijgt om z’n dromen na te jagen, dat dat wel het Nederland van vandaag is. Die krijgen te vaak niet te horen dat je, net zoals ik vroeger, bij elke tegenslag eerst naar jezelf moet kijken en dat er – zelfs als die tegenslag echt helemaal aan een ander ligt, wat bijna nooit zo is – er altijd voor jezelf een belangrijke les in zit. 

Nee, die horen nu dat ze worden gediscrimineerd, dat het zo moeilijk voor ze zal zijn dat ze zich de moeite van de poging bijna eigenlijk wel kunnen getroosten. Onder het mom van opkomen voor de zwakken of de onderdrukten, uit cynisme of uit onbezonnenheid, wordt zo het maatschappijmodel dat ons zoveel welvaart brengt steeds verder ondermijnd. 

Als dit op zichzelf niet belangrijk genoeg is, kijk dan eens uit het raam en zie wat er in de wereld aan het gebeuren is, en weet: we worden aan alle kanten bij- en ingehaald en als we niet uitkijken zijn we over twintig jaar definitief veranderd van speler in speelbal. Het Westen verbrokkelt, opkomende economieën groeien als kool, China is al bijna het machtigste land van allemaal. Als teken aan de wand schijnen de honours trajecten op onze universiteiten al vol te zitten met lui die hier kennis komen halen om elders in te zetten. Nederlanders zie je er naar verluidt nauwelijks meer, want die zijn onvoldoende gemotiveerd. 

En ondertussen liggen wij hier binnen vooral met elkaar overhoop, over goeddeels geïmporteerde, enorm opgeblazen of zelf compleet verzonnen problemen, en wordt een groot deel van de samenleving wijsgemaakt, dat ze door de rest als tweederangsburger worden gezien en dat hard werken waarschijnlijk geen zin heeft. Juist op het moment dat we z’n allen op z’n sterkst en meest eensgezind zouden moeten zijn om het tij nog te keren. Juist op het moment dat iedereen zijn afkeer van ongelijkheid zou moeten kanaliseren richting werklust, optimisme en vooruitgangsdrift. 

Is dat handig? Nee, dat is niet handig. Dat is spelen met vuur. 

Ik vraag het iedereen netjes: zullen we dit komend jaar anders doen?