Categorieën
Gemeenteraad

Spreektekst debat over gelijke kansen in het onderwijs

Excuus voor verwijzingen naar pagina’s in een stuk dat u niet kent, maar ik hoop dat de inhoud desondanks te volgen is.

Voorzitter,

Allereerst wil ik de wethouder complimenteren met deze nota. Ik heb ook zijn toelichting erop in de pers met veel interesse gelezen en ik kan me goed voorstellen dat zijn persoonlijke levensloop en ervaring met het onderwijssysteem hem een sterk gevoel van missie geven. Dat zie je in deze nota terug. De wethouder knalt er stevig in, met niets minder dan kansengelijkheid als zijn doel. 

Veel ambitie op het gebied van onderwijs maakt mij als liberaal enthousiast. Ondanks de steile verbeteringscurve van het Rotterdamse onderwijs, is er nog een wereld te winnen. Niet alleen zodat alle jonge Rotterdammers nog beter terecht komen, maar ook omdat wij als samenleving een steeds kleiner deel uitmaken van een steeds competitievere wereldwijde economie. In de toekomst die op de kinderen van vandaag wacht, hebben we van iedereen het beste nodig. 

Dus veel ambitie maakt mij als liberaal enthousiast, maar deze specifieke ambitie, kansengelijkheid, maakt mij ook zenuwachtig. En hij roept wat vragen bij mij op. 

Om te beginnen: Ik deel de overtuiging dat elk kind de kansen zou moeten krijgt om zich naar zijn volle potentie te ontwikkelen. En ja, wij dragen daar collectief een deel van de verantwoordelijkheid voor, met de taak om te zorgen voor zo goed mogelijk onderwijs. Maar wij weten ook dat een heel groot deel van wat uiteindelijk iemands kansen in deze maatschappij bepaalt, ligt bij de ouders. De mate van ouderbetrokkenheid blijkt de belangrijkste voorspeller van de onderwijscarrière te zijn. Wie ouders heeft die zich goed hebben aangepast op de hedendaagse manier van leven en die hun weg in de maatschappij soepel weten te vinden, heeft een grotere kans dat zelf ook te kunnen. En naast de ouders, is er dan ook nog het kind zelf, dat met zijn of haar eigen innerlijke drive een heel grote invloed heeft op de kansen die het wel of niet krijgt. 

Dus een overheid die kansengelijkheid wil afdwingen, die moet wel heel ver gaan. Mij schieten dan ook angstbeelden van kansennivellering door het hoofd. Want aandacht voor het inhalen van achterstanden is belangrijk, maar het zijn ook de voorlopers die we in deze steeds competitievere wereld juist zo hard nodig hebben. Vergeten we bij alle aandacht voor het vijfje dat een zesje moet worden, niet dat het achtje net zoveel recht heeft op hulp om van haar een negentje te maken? Is niet dat ook kansengelijkheid? 

Ook maakt de wethouder in zijn nota gewag van een tweedeling in het onderwijs, tussen kinderen van laag- en van hoogopgeleide ouders. Hoe homogeen zijn deze beide groepen nou eigenlijk? Is deze manier van denken niet een beetje misleidend, en zit het overgrote deel van de kinderen er ergens tussenin, en zijn er niet ook genoeg kinderen met heel betrokken laagopgeleide ouders of vrijwel afwezige hoogopgeleide ouders? Lopen we met zo’n vereenvoudiging niet het risico onbedoeld veel kinderen tekort te doen? Hoe zit het in de visie van de wethouder met die enorme groep ongeveer gemiddelde kinderen, van ongeveer gemiddelde ouders? Klopt het dat ik over het verhogen van ouderbetrokkenheid waar dat nodig is maar heel weinig lees, of ze nou hoog, laag, gemiddeld of niet opgeleid zijn? 

Kan de wethouder mij, samenvattend, meer gevoel geven bij wat hij onder kansengelijkheid verstaat? En kan hij mij ermee geruststellen dat hij in alle terechte aandacht die hij heeft voor met wie het nog niet goed gaat, niet vergeet ook oog te houden voor met wie het al prima gaat maar nog beter kan? 

Specifiek zou ik hem willen vragen daar zijn plan voor het verhogen van de schoolprestaties bij te betrekken, in hoofdstuk 2. Terecht wordt gesteld dat het problematisch is dat schoolprestaties zo sterk variëren. Er wordt als oplossing daarvoor gesproken over optimalisatie en spreiding. Betekent dit in verhulde termen dat we zowel de goede als de slechte scholen een beetje meer gemiddeld gaan maken? 

Voorzitter, dan ga ik even terug naar hoofdstuk 1. Bezwijken we niet voor verkeerde verleiding als we in plaats van kinderen omhoog naar de norm te helpen, de norm naar hen verlagen? Zoals wanneer we jongeren die gezakt zijn voor de HAVO, al naar het HBO laten gaan, terwijl docenten die ik spreek nu al bezorgd zijn over rijpheid en taalvaardigheid van de jongeren die ze moeten onderwijzen in toegepaste wetenschap. Wie helpen we nou echt als we dit doen? Vergroot het niet de kans op uitval, als we jongeren een stap laten maken waar ze eigenlijk nog niet klaar voor zijn? En is dit plan überhaupt realiseerbaar? En als de gemeente hier beleidsruimte heeft, helpt het dan niet veel meer om dat jaar waarin nog één HAVO-vak gehaald moet worden, in te zetten als breder rijpings- en vormingsjaar? 

Voorzitter, dan wil ik de wethouder ronduit complimenteren met de wijze waarop de werkwijze burgerschap in zijn nota is uitgewerkt. Dit is hoe mijn fractie het graag ziet. Twee vragen hierover: het element ‘kennen’ vinden wij ongelofelijk belangrijk, ook omdat ze in onze ogen voorwaardelijk zijn om aan de andere drie elementen goed invulling te kunnen. Kan de wethouder verzekeren dat dat element van kennisoverdracht ook in de praktijk ruimschoots aan bod komt? En daarnaast: uit het spraakmakende rapport Twee werelden, twee werkelijkheden bleek hoe moeilijk het soms voor leraren is om gevoelige onderwerpen bespreekbaar te maken en hoe belangrijk het is dat zij zich in die situaties ten volle gesteund voelen. Hoe zorgen we daarvoor? 

Dan ten slotte twee opmerkingen bij hoofdstuk 6, van onderwijs naar arbeidsmarkt. Mijn fractie mist hierin duidelijk een nauwere verbinding met de maritieme sector en onze haven in het bijzonder. Daarnaast hecht mijn fractie zoals u weet zeer aan het vergroten van de nadruk op digital skills is het onderwijs, vanaf de basisschool. Voor het uitwerken van de digideal wordt aangesloten bij het Rotterdam Techniek en Technologie Pact. Kan de wethouder uitleggen waarom deze koppeling verstandig is?

Ik dank u wel.