Categorieën
Essays

Essay: Een weekje skeer

(Longread)

Het besluit

Drieëntwintig minuten voor vier. ‘Goedemiddag! Kan ik u helpen?’ Zeventien minuten voor vier. ‘Dat is dan negenennegentig vijfennegentig. Pinnen?’ 

Twee nieuwe polo’s gekocht, want die had ik nodig. Of nou ja, “nodig”, ik heb voldoende mooie kleding in m’n kast hangen, maar ik heb vanavond de wedding anniversary van een dierbare collega en ik heb bedacht dat het een mooie gelegenheid is, namelijk een luxe tuinfeest in de stralende zon waar ook nog wat genetwerkt kan worden, om onder m’n jasje een witte polo te dragen. Het werden er twee, want op de tweede krijg je drieëndertig procent korting. ‘Als echte Hollander maak ik daar natuurlijk gebruik van’, zei ik nog tegen de verkoper. Veertig euro meer uitgegeven dan de zestig euro die ik van plan was strikt genomen onnodig uit te gegeven, en ik loop naar buiten met een gevoel alsof ik toch maar weer mooi wat geld bespaard heb. 

Dat ik me dat überhaupt bedacht kwam omdat de dag erna mijn “Vijftig euro challenge” begon: een week lang zouden mijn vriendin en ik van vijftig euro leven, de helft van wat ik net in zes minuten wegsmeet, om zo te ervaren hoe het is om arm te zijn en solidariteit te tonen aan de vele Rotterdammers in armoede. Sinds ik besloot om na Ellen Verkoelen en zeven andere collega-raadsleden ook mee te doen, was al langzaam maar zeker een bepaald bewustzijn bij me gaan ontstaan. 

Het besluit om mee te doen was voor mij wat minder intuïtief vanzelfsprekend dan ik denk dat het voor de collega’s was geweest. Sterker nog, om eerlijk te zijn heb ik me er wekenlang onbewust en bij vlagen heel bewust tegen verzet. Toen de eerste uitnodiging per mail kwam, vlak voor het zomerreces, heb ik die zonder veel nadenken naast me neergelegd. Altijd als het gaat over de bijstand en over armoede en over hoe zwaar dat is voor de mensen die het treft, is mijn reactie, die ik overigens gelukkig – denk ik met mijn blik van nu – meestal voor mezelf houd, dat ik dat natuurlijk zelf als geen ander weet. Mijn moeder heeft jarenlang met een bijstandsuitkering voor mijn broertje en mij moeten zorgen en hoewel ik nog een jong kereltje was, kan ik me vrij veel van die tijd herinneren. We hebben het er ook nog vaak over. ‘Ik hoeft niet te ervaren hoe het is om arm te zijn, want dat weet ik nog uit eigen ervaring’, kon ik mezelf vluchtig horen denken toen ik de mail van Stichting WARM las. 

Bovendien: ik kan wel een week met vijftig piek leven, maar gewoon een weekje “skeer” zijn, zoals we dat tegenwoordig dankzij onze kleurrijke stadsgenoten noemen, oftewel even weinig geld hebben, is niet te vergelijken met echte armoede. Ik heb een fijn huis, in een fijne buurt, een stabiel leven met veel liefde en mensen aan wie ik me zou kunnen optrekken om me heen, ik verkeer in goede gezondheid, heb een mooie nieuwe fiets onder m’n kont, een peperdure iPhone in m’n zak en een MacBook Pro in m’n tas. Ik zal geen zorgen hebben over wat voor perspectief ik m’n kinderen kan bieden, die ik overigens ook nog niet heb. Ik hoef me geen zorgen te maken over wat ze van mijn stress meekrijgen. Ik hoef me geen zorgen te maken over of hun vriendjes en vriendinnetjes vanwege onze armoede bij ze af zullen haken. Ik zal niet de voortdurende dreiging voelen van een onverwachte grote rekening, of een andere tegenvaller. Ik zal niet naast de directe geldzorgen ook nog eens de druk hebben van het zoeken naar werk of naar beter werk, als een voortdurende zeurende hoofdpijn. Het zal m’n gevoel van eigenwaarde niet aantasten. Integendeel: ik zal me er goed over voelen dat ik hieraan mee doe.

Stilletjes hopend dat de actie tijdens m’n vakantie zou vervliegen en ik het wel of niet meedoen niet verder zou hoeven overdenken, klapte ik eind juli m’n laptop voor een paar weken dicht. Op vakantie heb ik twee weken als een bezetene het transfergebeuren in de voetballerij gevolgd. Naast Feyenoord ben ik vrij fanatiek supporter van het Londense Arsenal, en daar stonden na een heel aantal magere jaren een paar recordtransfers op stapel. Een “recordtransfer” is een krankzinnige hoeveelheid geld die wordt betaald om een speler die marginaal beter is dan wat je al hebt van een andere club over te nemen, en om hem vervolgens elke week een krankzinnige hoeveelheid geld in salaris uit te betalen. Voor supporters is de logica simpel: hoe meer geld de club uitgeeft, hoe groter de kans op prijzen. Hoe meer je uitgeeft, hoe beter.

Om bovenop de laatste ontwikkelingen te zitten keek ik meerdere keren per dag wat de voetbaljournalisten meldden op twitter. In de eindeloze stroom berichten waar ik doorheen scrolde zag ik dan ook steeds de updates van Ellen voorbij komen, waardoor de Challenge in m’n gedachten bleef. Ik sprak erover met m’n vriendin. ‘Moet ik dit nou doen?’ ‘Ons standpunt gaat toch niet veranderen, is het dan niet hypocriet om een beetje “solidair” te doen?’ ‘Maar als ik het niet doe, verlies ik dan m’n recht van spreken?’ ‘Moet ik me door zoiets laten leiden?’ ’Maak ik het niet veel te persoonlijk?’ ‘Til ik er überhaupt niet veel te zwaar aan?’ Tot een conclusie kwam ik niet – ik hoopte nog steeds dat dat ook niet zou hoeven.

Direct na terugkeer bleek dat ijdele hoop: in mijn mailbox zat een verse mail van de organisatie met opnieuw de uitnodiging. Ik zou in ieder geval, uit goed fatsoen, moeten reageren – en dus een besluit moeten nemen. Dat stelde ik een paar dagen uit. Tijdens die dagen realiseerde me dat ik steeds zocht naar redenen om niet te hoeven, en het duurde even voordat ik boven tafel kreeg waarom. Er zat een diepe weerzin in me tegen het idee dat ik me weer arm zou voelen. Ondanks de fantastische manier waarop m’n moeder het heeft gedaan, ondanks het optimisme en het durven dromen dat ze ons heeft bijgebracht, en ondanks dat ze zelfs de moeilijkste momenten altijd wist om te draaien naar iets positiefs, hebben sommige ervaringen toch wat van me afgeknaagd. Stomme dingen, die er op die leeftijd erg toe lijken te doen. Zoals dat m’n vriendjes vaker en verder op vakantie gingen. En dat ze mooiere kleren droegen. Wat wìlde ik ook graag zulke mooie Ralph Lauren overhemden, die op de ene na die ik ooit tijdens de uitverkoop mocht kopen veel te duur waren. Wat wilde ik ook graag een meisje van de hockeyclub, maar waar ik me ergens niet goed genoeg voor voelde. Wat wilde ik eigenlijk stiekem graag bij het studentencorps, maar waar ik dacht tussen alle zoons uit rijke families toch niet op m’n plek te zijn. En wat wilde ik ook graag die air van zorgeloosheid kunnen voelen en uitstralen. Het behoort allemaal tot het verleden, maar iets in me verzette zich ertegen om die knagende armoedigheid opnieuw te ervaren. Helemáál achter me lag het klaarblijkelijk dus toch nog niet. Dat was confronterend. Niet alleen voor mij persoonlijk, maar ook voor mijn begrip van armoede. Mijn moeder, broertje en ik hebben ons er helemaal aan kunnen ontworstelen. Zij woont heerlijk in een appartement in De Esch en leeft regelmatig als een godin in Frankrijk; mijn broertje wordt binnenkort gepromoveerd tot kapitein bij de Koninklijke Luchtmacht en heeft de kunst van het levensgenieten tot nieuwe hoogten gebracht; en ik ben afgelopen zomer verloofd met het mooiste meisje van de hockeyclub, ik draag van die Ralph Lauren hemden die ik toen zo begeerde, en ik heb de grote eer om het volk van de vetste en meest interessante stad ter wereld te vertegenwoordigen – schouder aan schouder met de vent die, als ik lid was geworden van het corps, daar mijn president zou zijn geweest. In alles is ons leven honderdtachtig graden bijgedraaid, we hebben het goed en we laten het ons erg goed smaken – maar toch zitten sommige van die littekens er klaarblijkelijk nog steeds. Hoe moet dat dan zijn voor anderen, voor wie dat helemaal niet of maar ten dele geldt. Armoede snijdt dieper dan ik dacht.

Toen dit besef tot me doordrong, was de beslissing direct gemaakt: als ik al zoveel leer voordat ik er überhaupt aan ben begonnen, zowel over mezelf als over het fenomeen, dan moet ik wel. Bovendien wilde mijn vriendin inmiddels de uitdaging ook wel aan. Ik mailde de organisatie dat we – graag – mee wilden doen.

De Challenge

Grappend wijt ik het vaak aan mijn Duitse achtergrond, dat doe ik vaker, ik ben opgegroeid in een tijd dat een Duitse tongval zoals ik jarenlang heb gehad je niet populair maakte, en dit is een goede manier voor me geworden om daarmee om te gaan, maar ik ga graag grondig, oftewel Gründlich, te werk. Dus toen de zondag waarop onze Challenge begon daar was, ging ik allereerst aan de slag met de administratie. Met de website van het Voedingscentrum erbij zette ik op een rij wat je in een week zoal aan energie en voedingsstoffen binnen moet krijgen, en vervolgens berekende ik met welke producten je dat voor zo min mogelijk geld in huis haalt. Interessant: je ontkomt niet aan aardappelen of rijst voor de energie, maar met rijst (146Kcal) krijg je daar per honderd gram bijna twee keer zoveel van binnen als met aardappelen (83 Kcal). Neem dan wel zilvervliesrijst, want dat is weliswaar iets duurder, maar bevat veel meer vitamines dan witte rijst en ‘vult’ langer. We maakten een lijst met producten die we gedurende de week zouden kunnen gaan gebruiken en ik deed een rondje langs supermarkten in de buurt om prijzen te vergelijken. De Lidl blijkt voor bijna alles het goedkooptst te zijn, behalve voor vlees, waarvoor je naar de Turkse slager moet. En Albert Heijn heeft onder de bonus-aanbiedingen vaker echt superdeals, zoals in onze week twee zakken aardappelen voor de prijs van één. 

Hoewel we, na het maken van een concreet weekplan, later die middag samen de boodschappen daadwerkelijk zouden gaan doen, nam ik bij de Turkse supermarkt vast een grote doos eieren mee, waar die veruit het goedkoopst zijn. Vanwege een leveringsprobleem stond er namelijk nog maar één, en ik wilde niet riskeren dat ze straks uitverkocht zouden zijn. Een tasje had ik niet bij me en tien cent om er een te kopen vond ik te duur, dus met de doos onder de arm stapte ik op de fiets. Toen ik bij de zijuitgang van Eudokiaplein de stoep afreed kwam er onverwacht een auto achteruit mijn kant op en kon ik, onwennig met maar één hand aan het stuur, maar met moeite voorkomen dat ik er achterop knalde en de eieren te pletter vielen. Toen greep het me naar de keel: shit, als ik deze doos nu laat vallen heb ik een groot probleem. Dertig eieren weg, ruim zeven procent van ons budget weg. Nog nooit had zoiets doodgewoons als een doos eieren zoveel waarde voor me, en nog nooit hield ik, vervolgens, een doos eieren zo vastberaden vast zoals een leeuw zijn prooi als hij omringd is door hyena’s. Het moet er grappig uit hebben gezien. 

Toen kwam het weekplan. Wij leven normaal erg bij de dag. ‘Wat zullen we vanavond eens eten?’, zo rond kwart voor vier. ‘Waar heb je trek in?’, om half vijf. ‘Rij jij straks even langs Appie of zal ik?’ ‘Ik werk even door, ik bestel wel wat.’ Zo een beetje. Voor zulke ongedwongenheid zou deze week geen plek zijn, realiseerden we ons. Met z’n tweeën van vijftig euro rondkomen en goed en gezond eten kan, maar dan moet je wel plannen en slim inkopen. Voor het eerst van m’n leven wist ik nu dus op zondag wat ik dinsdagochtend, donderdagmiddag, en zaterdagavond zou gaan eten. Voor 41,89 euro waren we rond: 36 maaltijden, eten en melk voor de kat, tandpasta, koffie, en voor elke dag een appeltjes voor tussendoor. Zij zou een dag meelunchen op haar werk en had een teametentje op kosten van de zaak en ik heb op woensdag altijd raadscommissievergaderingen in het Stadhuis waarbij we ‘s middags en ‘s avonds een broodmaaltijd krijgen. Op vrijdagavond waren we uitgenodigd om te komen eten bij m’n broertje. 

Een mooi begin, nu zou het een kwestie zijn van gedisciplineerd uitvoeren. Daar kwam al maandagmiddag bijna de klad in. Ik had natuurlijk keurig lunch meegenomen naar m’n werk, die bestond uit bruine bonen met spek en stroop. Ongelofelijk lekker – en erg voedzaam. Maar, ontdekte ik rond drie uur, met net te weinig energiewaarde. Geld om even een tussendoortje te kopen, wat ik normaal zou doen, was er niet. Met een knorrende buik moest ik het uitzingen tot het avondeten. Een nieuwe ervaring. Wat smaakte ‘s avonds de rijst met diepvriesgroenten, sambal en een beetje kip goed. In de dagen erna kreeg ik er lol in om het eenvoudige, maar lekkere en voedzame eten op Twitter aan te prijzen. Bespaartips, daar zijn Nederlanders gek op, merkte ik. Heel even werd de Challenge zo zelfs een beetje leuk, of althans, het gaf voldoening en plezier. Al had het onderhuids ook andere effecten op hoe ik me voelde. Woensdagnacht droomde ik dat ik m’n werk verloor en een aantal spullen waar ik erg aan hecht moest verkopen, zoals de MacBook die ik vorig jaar na hard werken en sparen voor mezelf had gekocht. 

Bovendien gaat de Challenge natuurlijk over meer dan goedkoop eten. Het meest beklemmend vond ik het besef dat je van dit budget nauwelijks kunt reizen en geen geld hebt voor sociale activiteiten buiten de deur. Wij werken allebei in de stad en kunnen alle dagelijkse bestemmingen makkelijk met de fiets bereiken, dus daar ging geen geld aan op. Voor veel mensen is dat lastiger. Maar een auto hebben gaat eigenlijk niet, en ook het OV is gierend duur. Een leuk feestje in Amsterdam waar ik voor was uitgenodigd, moest ik deze week dus helaas laten schieten. Anderen kunnen soms – of vaak – bij iets veel belangrijkers niet zijn. Ook de kroeg, laat staan is een terrasje of discotheek, is onbetaalbaar. Je vrienden die wél geld hebben kunnen het allemaal gewoon doen, en jij niet. Die willen in eerste instantie misschien best nog wat voor je betalen, maar dat houdt een keer op. Je wereld kan zo vrij snel erg klein worden, en je kunt van je vroegere sociale wereld geïsoleerd raken. Je eigen buurtje, de mensen die je er kent, en de vrienden en familie die je in de buurt hebt, worden zo veel belangrijker voor je dan voor mensen die het geld hebben om in feite te gaan en staan waar ze willen. Je bent erop aangewezen. Dat je aan die eigen buurt daardoor ook veel sterker gaat hechten dan anderen, is alleen maar logisch. Die gewaarwording maakte indruk op me, en heeft me ook sindsdien veel aan het denken gezet. Weinig geld hebben betekent niet alles gewoon een beetje minder, maar betekent voor heel veel dingen van het moderne leven gewoon niet. Het is alsof je in een prachtig pretpark zit, met overal om je heen mensen die genieten van lekker eten en leuke attracties, en je mag zelf nergens in, je kunt niks kopen, sterker nog je zit vast aan een bankje ergens langs de rand en bent verplicht het allemaal de hele dag te aanschouwen. Dan ziet de wereld er echt anders uit. 

De lessen

De grote vraag waar de hele Challenge naartoe leidt is net zo eenvoudig, als het antwoord erop ingewikkeld is: en nu? Wat gaan we doen? Een grote valkuil van de mens is om in nieuwe ervaringen, onbewust, vooral de elementen op te pikken die bevestigen wat je al vond. Ook in deze Challenge kan iedere politicus vast een onderstreping zien van het standpunt over armoede dat je al jaren hebt. Links kan zeggen: ‘Het is verschrikkelijk, met alle rijkdom die er in Nederland is, is het een onmenselijk om mensen in armoede te laten leven. Geef ze er gewoon wat geld bij.’ En rechts kan zeggen: ‘Nee, het is geen vetpot, maar het is nou ook niet dat je sterft van de honger. Het leefgeld van iemand in armoede hier, is net zo veel als het gemiddelde maandsalaris in sommige andere Europese landen. Voor iedereen die wil, zijn er in Nederland alle kansen om er wat van te maken.’ Beide standpunten zijn een beetje waar, en een beetje niet. 

Ja, het is te gek voor woorden dat in de mooiste stad van Nederland één op de vijf kinderen opgroeit in armoede. Dat is een morele overtuiging, die ik van harte deel. Met de redenering dat het zo gek is omdát hier óók zoveel rijkdom is, heb ik minder. Als je naar de wereld kijkt, dan is er geen duidelijke relatie tussen veel rijkdom en weinig (relatieve) armoede. Sterker nog, in de meeste landen met extreme rijkdom is er óók extreme armoede. Er is geen bewijs voor dat het simpelweg op nog grotere schaal herverdelen van geld door de overheid dan we in Nederland al doen, armoede kan oplossen. In landen waar dat nog meer dan hier gebeurt, de weinige naar echt socialisme neigende landen die er nog zijn, wordt binnen niet al te lange tijd simpelweg iederéén arm. De reden waarom het gek – en onnodig – is dat nog zoveel mensen in armoede leven, is veel eerder dat we de afgelopen eeuw in Nederland nou juist meer dan in bijna alle andere landen onze maatschappij tot emancipatiemotor hebben omgevormd. Onze hele maatschappij is erop gericht om sociale stijging mogelijk te maken, en onze maatschappij is daarin ook ongekend succesvol. In Nederland weten we precies, zogezegd, wat ervoor nodig is om ieder dubbeltje een kwartje te laten worden. Ik ben er zelf een voorbeeld van. ‘Te gek voor woorden’, is het dus vooral dat dit ons hier in Rotterdam nog zo slecht lukt en dat armoede hier nog steeds zo vaak erfelijk blijkt te zijn. Overigens bedoel ik dat niet letterlijk, vriend Nourdin el Ouali, als je meeleest. 

Waar rechts ten dele gelijk in heeft, is dat armoede relatief is. Armoede in Nederland, is maar in weinig te vergelijken met de schrijnende toestanden in veel andere landen, zelfs binnen Europa. Of je nou in Berlijn, Athene, Lissabon, Parijs, Barcelona of Brussel bent: armoede daar ziet er echt anders uit dan hier. We geven jaarlijks zo’n 85 miljard euro uit aan uitkeringen en inkomensondersteuning, en dat is ongelofelijk veel. Dat mag echter niet betekenen dat we het er dan maar bij laten zitten. Ook is het waar dat er hier voor iedereen kansen zijn om vooruit te komen in het leven. Maar dat mag niet betekenen, als we zien dat veel mensen die kansen toch niet weten te vinden of te grijpen, dat we vinden dat het verder, tja, toch een beetje ‘eigen schuld, dikke bult’ is. Het simpele feit is namelijk dit: zelfs als je vindt dat aan onze morele verantwoordelijkheid is voldaan, omdat hier dankzij die enorme pot van 85 miljard euro niemand meer compleet door het ijs zakt, dan nog is het in het belang van ons allemaal om elk van die honderdduizend Rotterdammers uit de ellende te sleuren. We hebben het hier namelijk over honderdduizend, honderdduizend, mensen wier talenten en productiviteit niet tot hun recht komen. Het gaat om honderdduizend mensen die veel meer zouden kunnen bijdragen dan ze nu doen, omdat te veel tijd en energie nu wordt opgeslokt door simpelweg het hoofd boven water houden. 

We zijn als samenleving een team. Een team dat elke dag opnieuw een klein wonder verricht: deze stad, met de ongekende vrijheid, welvaart en kwaliteit van leven die we hier hebben, draaiende houden. Om dat vol te houden, in een tijd vol toenemende concurrentie zoals de opkomst van China opkomt en dreigingen zoals de opwarming van de aarde, hebben we van iedereen het beste nodig. Als we dat van één op de zes leden van ons team niet krijgen, dan is dat niet hun ‘eigen schuld dikke bult’, maar dan is dat een probleem voor ons allemaal. Dat is geen toekomstmuziek. Je ziet het in de tekorten die we nu al overal hebben. In de bouw. Bij de politie. In de zorg. In de horeca. In ICT. In het bedrijfsleven. Zouden die tekorten er zijn als we erin slagen om elk van die honderdduizend mensen op honderd procent te laten meedoen, in plaats van op tachtig, vijftig, of helemaal niet? En naast arbeidskracht hebben we ook meer dan ooit goede, slimme ideeën nodig. Elk van die kinderen die opgroeien in armoede, en daardoor op allerlei manieren worden tegengehouden, zou het genie kunnen zijn dat op het idee komt voor de volgende technologische of sociale doorbraak. Honderdduizend mensen in armoede, is honderdduizend (gedeeltelijk) gemiste kansen, elke dag opnieuw. Voor henzelf, en voor ons allemaal. Dat vind ik moeilijk te verdragen. Dus als je me vraagt: wat nu? Dan zeg ik: tijd voor actie. 

Eén simpele oplossing is er niet. Er is niet één knop die we om kunnen draaien. Wat er moet gebeuren stel ik me voor als zo’n DJ-paneel, met allemaal schuifjes. Elk schuifje staat voor iets dat er collectief, onderling of individueel moet gebeuren. Alle schuifjes moeten tegelijk geleidelijk omhoog. 

Ten eerste moet het genadeloze misbruik van mensen die financieel in de problemen zitten worden aangepakt. De schuldenindustrie, met incassobureaus en deurwaarders die mensen dieper de ellende in duwen en met bewindvoerders die veel verdienen en vaak nauwelijks helpen, moet flink worden hervormd. Ten tweede moeten we een serieuze discussie hebben over de ongebreidelde commerciële beïnvloeding en zelfs manipulatie van mensen. Er is een miljardenindustrie van marketingprofessionals ontstaan die precies weten hoe ze mensen kunnen verleiden om aankopen te doen die ze niet nodig hebben en zich eigenlijk niet kunnen veroorloven. Is het helemaal de eigen verantwoordelijkheid van mensen om daar weerstand tegen te kunnen bieden? Ik vraag het me steeds meer af. Ten derde zouden soft skills, de sociale en andere vaardigheden die je nodig hebt om in onze maatschappij succesvol je weg te vinden, een groter onderdeel van moet vormen van het onderwijs dat we onze kinderen bieden. Velen krijgen dat niet van huis uit mee, en dat houdt kinderen tegen. Ten vierde moet de sociaal-economische opbouw van onze stad veel gezonder worden. De stad is te gesegregeerd. Armoede is ook een gevolg van sociaal-economische eenzijdigheid. Je hebt wijken nodig waar de succesvollen niet gedwongen zijn te vertrekken, maar waar die in de buurt blijven en, heel letterlijk, kansen geven aan hun omgeving en een positief rolmodel kunnen zijn. Juist omdat mensen in armoede in hun bewegingsvrijheid beperkt zijn en hun leven zich dus voor een groot deel in de eigen wijk afspeelt, is dat cruciaal. Ten vijfde moet de politiecapaciteit flink worden vergroot. De politie richt zich door een chronisch tekort vaak alleen op de ‘grote vissen’, waardoor jongeren die lager in de criminele hiërarchie rondhangen veel te lang praktisch hun gang kunnen gaan. Dat levert heel veel negatieve rolmodellen op, houdt wijken in een negatieve spiraal, remt investeringen en de komst van bedrijvigheid en kansen, en houdt kinderen tegen om het juiste pad te kiezen, succesvol te worden en zelf na verloop van tijd kansen en een goed voorbeeld aan anderen te kunnen bieden. Ten zesde moet het stelsel van toeslagen anders, en dan met name het systeem van maandelijkse voorschotten en jaarlijkse eindafrekeningen. Dat leidt tot te veel onzekerheid en problemen. Ten zevende moet de begeleiding vanuit de bijstand naar werk intensiever en vooral ook positiever, met meer aandacht voor het systematisch helpen vergroten van de mentale en fysieke belastbaarheid van mensen. De Rotterdamse oud-atleet Patrick van Luijk is met zijn BioCheck een fantastische pionier op dat vlak. Die inzichten en werkwijze zouden de norm moeten worden. Ten achtste zouden alle succesvolle Rotterdammers, naast het netjes betalen van hun belasting, hun eigen verantwoordelijkheid moeten pakken door hun ervaring, kennis en netwerk aan kinderen uit minder fortuinlijke omgevingen beschikbaar te stellen. Er zijn bijvoorbeeld prachtige mentoringprogramma’s zoals Giving Back, waar ik zelf ook aan meedoe, waar, als je naar de schaal van het probleem kijkt, nog gênant weinig Nederlanders aan bijdragen. Het sociale weefsel moet niet alleen binnen elke buurt en elke wijk sterker, maar ook binnen de hele Rotterdamse samenleving. Ten negende moeten we investeren in ons teamgevoel. In onze teamgeest. We moeten ons beseffen dat we samen een team zijn, waarin niet alleen naar onszelf en naar de coach moeten kijken, maar ook naar elkaar. We moeten het schouder aan schouder doen. Een duidelijkere, meer bewust beleefde gedeelde Rotterdamse identieit is daarvoor noodzakelijk. En ten tiende, en ten slotte, moeten mensen in armoede natuurlijk zelf aan de bak. Uiteindelijk kunnen we collectief en sociaal de perfecte omstandigheden creëren, maar we kunnen het niet voor mensen doen. We kunnen het wel beter te doen maken, maar nooit makkelijk. Mijn moeder heeft fantastische hulp gekregen, een opleiding van de gemeente, maar zelfs dan is en blijft het keihard werken, tegenslagen overwinnen, twijfel de baas worden, zelfvertrouwen ontwikkelen, tigduizend keer al je moed verzamelen, ondanks alles positief blijven en volharden. Dat vraagt veel van een mens. Maar het kan. 

Ik schrijf deze laatste zinnen op een fraai dakterras in Athene, met uitzicht op de adembenemende Akropolis, waar ik samen met m’n broertje en m’n moeder ben om haar zestigste verjaardag te vieren. We kunnen het ons nu veroorloven. Reizen, lekker eten en drinken, leven als de goden waar hier duizenden jaren geleden indrukwekkende tempels voor werden gebouwd. Wie ons dat vijventwintig jaar geleden had verteld, in ons woonkamertje in een Capelse flat, met de kast met potjes waarin werd gespaard voor de vaste lasten en de onverwachte uitgaven, hadden we misschien niet durven geloven. Maar het is voor ons gelukt. We hebben het achter ons gelaten. Zelfs zozeer, dat ik nog maar een paar weken geleden dacht het allemaal wel te weten en weinig van zo’n ‘weekje skeer’ te kunnen leren. Met m’n polo van zestig euro. Ja, voor ons is het gelukt. Nu voor de rest nog.