Categorieën
Gemeenteraad

Spreektekst in debat over afvalligheid

Voorzitter,

Vrijheid van religie. Nederland is er groot mee geworden. Letterlijk. Het was de godsdienstvrijheid die in de late 16e eeuw vele tienduizenden Vlamingen naar de zeven provinciën lokte, de Gouden Eeuw op gang bracht, en van ons land een wereldwijk maakte. Sindsdien hebben we in ons land een stevige traditie van vrijheid van geweten, van religie, en van meningsuiting. De identiteit van ons land is al eeuwenlang dat hier ieder individu de vrijheid heeft om uitdrukking te geven aan zijn eigen individuele identiteit, en dus te geloven waarin hij wil. Ook als dat niks is.

Althans: van de overheid hebben we die vrijheid sindsdien altijd gekregen. Om ook van elkáár die vrijheid te krijgen, heeft er heel wat meer water door de Maas gemoeten. Vooral bínnen gemeenschappen heeft dit heel lang erg lastig gelegen. De generatie van mijn ouders heeft dat nog aan den lijve ondervonden. Nog maar kort geleden wist iedereen in Nederland: ‘twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen’. Wie trouwde met iemand van een ander geloof, hoefde in veel families niet meer op de koffie te komen. En wie helemaal ‘van zijn geloof viel’, nog zo’n mooie uitdrukking, die werd in de dorpen met de nek aangekeken en botweg uitgesloten. Deze strijd is na eeuwen nu grotendeels gestreden, maar we zijn er nog niet helemaal. Nog steeds leggen mensen elkaar met allerlei sociaal geweld geloof op. 

Dat is zeer actueel. Twee dagen geleden zagen we hoe in Ruinerwold kinderen jarenlang in een kelder gevangen werden gehouden, schijnbaar als gevolg van een extreem geloof. En we hebben ook allemaal nog de beelden op het netvlies van de radicale indoctrinatie die op sommige religieuze schooltjes plaatsvindt – ook in Rotterdam. Van jongs af aan krijgen kinderen aangeleerd dat er in feite niets ergers is dan ongelovige te zijn, en afvallige zijn is zo mogelijk nog erger. En zelfs als je er simpelweg blijk van geeft om iets mínder te geloven, dan is dat reden om de banden te breken. Uit verschillende gemeenschappen zijn er dan ook genoeg verhalen van mensen die te maken hebben gekregen met intimidatie of wraak. 

Het is belangrijk dat we die mensen helpen. Wie ervoor kiest om anders te geloven of niet meer te geloven, die maakt gebruik van een fundamentele Nederlandse vrijheid, en die moet daarbij op de volle steun van de samenleving kunnen rekenen. 

Voorzitter, daarom een aantal vragen aan het College.

  1. Wat weten wij van de omvang van het probleem van uitsluiting, intimidatie van en wraak tegen afvalligen in onze samenleving?
  2. Hoeveel aangiftes of andere politieregistraties worden daar jaarlijks van gedaan?
  3. Op wat voor hulp en ondersteuning kunnen slachtoffers daarbij rekenen? Is dat in de ogen van het College voldoende?
  4. Op welke manier gaan we preventief te werk, door duidelijk te communiceren dat afvalligheid in Nederland ieders recht is? Oftewel, op welke manier wordt die norm gesteld? 
  5. Op welke manier maakt het College dit bespreekbaar in gemeenschappen waarin het een taboe is? Ziet het College het als zijn taak om dat te doen?
  6. En ten slotte, hoe wordt op Rotterdamse scholen met dit thema omgegaan?