Categorieën
Columns

Zelfreflectie

Zelfreflectie. Wie kan het nog? Opmerken dat iets niet gaat zoals je zou willen en dan allereerst jezelf indringend de vraag stellen: wat had ik anders kunnen doen? Wat kan iknu nog anders doen? Wat kan ik voortaan anders doen? In plaats daarvan veranderen we maar al te vaak de richting van de wijsvinger met een verbeten blik in één moeite van dat wat we –en wel nu- willen hebben, naar degene wiens schuld het zou zijn dat we het -potverredikkeme- nog niet hebben. De politiek. De elites. De banken. De EU. De fascisten. De antifascisten. De kolonisten. De racisten. De moslims. De discriminatie. De witten. De zwarten. De migranten. De politie. De leraren. De toetsen. De jaren ’60. De media. Het neoliberalisme. Het systeem. De ouders. De buurman. De ander. We zijn steeds vaker het slachtoffer van de vervloekte ander. Het is niet alleen irritant, maar ook steeds meer van belang. 

Even een zijstapje, namelijk. China. U heeft het vast gelezen of gehoord: China timmert aan de weg. Zo stelt het aan heel veel landen heel veel geld beschikbaar om infrastructuur aan te leggen, die China vervolgens voor z’n handelsverkeer gebruikt. Twee weken geleden nog, nam het kleine maar dappere Montenegro een lening aan, ter waarde van een kwart van al het geld dat ze daar in een jaar kunnen verdienen. Met als onderpand Montenegrijnse grond, en met de afspraak dat over alle mogelijke geschillen voor een Chinese rechtbank wordt besloten. Wat kan daar nou mis gaan? Op deze manier krijgen de Chinezen steeds meer landen in hun greep. Een briljante strategie. Ondertussen maken de steeds welvarender Chinezen zichzelf niet vrij, zoals lang werd verwacht, maar verstevigt de staat ook op hen z’n grip. Ze functioneren als een strak aangestuurde geöliede machine. Iedereen houdt z’n hoofd omlaag, houdt z’n bek, en blijft in z’n rol. Efficiënt, effectief, doelgericht. Met dat systeem zijn wij meer en meer in concurrentie om de welvaart en om wie het voor het zeggen heeft – zowel in de wereld als, via die infrastructuurprojecten, hier in Europa.  

Die concurrentie is een botsing van systemen. Het hunne is niet het onze. Wij in Europa, in Nederland, in Rotterdam hebben eigen ideeën over hoe het leven zou moeten zijn. Wij willen niet dat een ander ons een plek aanwijst in een megamachine, waar we ons maar in moeten schikken. Wij willen geen bulkproduct zijn, geproduceerd op een megalomane lopende band, bediend door iemand anders. Wij willen stuk voor stuk een ambachtelijke, handgemaakte creatie zijn, ontworpen, uitgehakt, geboetseerd, versierd door onszelf. Wij willen gekke dingen kunnen doen. Nieuwe ideeën kunnen bedenken. Rare dingen kunnen vinden. En ze nog mogen zeggen ook. Vrij zijn. Gelijk. Eigen baas. 

Vandaag de dag zijn we dat ook. Dat is een edel goed, wat komt met een grote verantwoordelijkheid: als wij ons niet door een ander rond willen laten bazen, dan moeten we dat welzelf doen. En dat begint met de spiegel voorhouden – aan onszelf. Anders veranderen we van een bastion van vrije en welvarende mensen, in een steeds gefrustreerder hoopje slachtoffers van de ander. Het kan aan mij liggen, de mogelijke ironie van dit stukje ontgaat me niet, maar aan het zelfbeklag komt in mijn ogen steeds minder snel een eind. Laten we ermee kappen. Niet alleen om mij van m’n ergernis af te helpen. Ook niet alleen omdat we anders over dertig jaar allemaal Chinees praten. Maar ook gewoon voor onszelf: meer zelfreflectie is, volgens ongeveer ieder zelfhulpboek ooit, de sleutel tot meer persoonlijk succes. 

Deze column verscheen oorspronkelijk op Dagblad010.nl

Categorieën
Columns

Verschil mag er zijn. Toch?

Socialisme heeft in ons land nooit echt kans van slagen gehad. Daarvoor is het calvinisme te diep in onze volksaard ingesleten. Hier geldt niet ‘eerlijk zullen we alles delen’, maar ‘ieder moet z’n eigen boontjes doppen’. Die moraal, diepgewortelde persoonlijke verantwoordelijkheid, is de succesformule van ons land geweest. Bij tegenslag kijk je eerst wat je zelf anders had kunnen doen, in plaats van te klagen over een ander. En verschil dat je niet bevalt, is reden om jezelf omhoog te werken, in plaats van de ander naar beneden te trekken. Verschil moet er wezen, werd niet voor niets gezegd. We worden er allemaal beter van. In een wereld die steeds concurrerender wordt, en waarin onze welvaart steeds minder vanzelfsprekend is, doen we er goed aan om die moraal af te stoffen en te koesteren.

Want mag het verschil er nog wel wezen, tegenwoordig? En maakt het nog wel dat goede in ons los? Die vragen dringen zich de laatste tijd zo nu en dan aan me op. Zo ook toen we vorige week spraken over de stedelijke onderwijsplannen. Het grote doel is gelijke kansen voor ieder talent. Niet gek voor een stad die van iedereen het allerbeste nodig heeft, en waar het door achterstanden en tekorten nog lang niet lukt om dat ook van iedereen te krijgen. Er zijn verschillen, en die motiveren tot actie. We willen vooruit. So far so good.

Maar dan gaat het mis. In plaats van doelgericht de oorzaken van de verschillen aan te pakken, analyseren mijn linkse vrienden dat er in het onderwijs een toenemende ‘tweedeling’ is tussen kinderen van hoogopgeleide en kinderen van laagopgeleide ouders. De schuld wordt op voorhand resoluut buiten henzelf gelegd. Kinderen van hogeropgeleiden worden bevoordeeld, krijgen goede hoge schooladviezen en komen daardoor op een hoger eindniveau uit, en kinderen van lageropgeleiden worden voortdurend onderschat en kleingehouden en komen zo uiteindelijk onder hun eigenlijke niveau uit – of ze moeten het via de lange omweg die we ‘stapelen’ noemen doen. 

Kijk, natuurlijk is er verschil in de onderwijscarrières van kinderen van hoogopgeleide en van laagopgeleide ouders, en je kunt op je klompen aanvoelen dat dit verschil niet in het voordeel van de tweede groep uitpakt. Maar wat je, als je de onderzoeken induikt, ook ziet: het grootste deel van de mensen zit ergens tussenin. Die ‘tweedeling’ is een fictie. En dit beeld van de tweedeling leidt af.

Want die verschillen, waar komen die nou eigenlijk vandaan? Wat blijkt: opleidingsniveau of ‘het systeem’ veroorzaken het niet, maar gewoon ouderwets individueel gedrag. Er zijn hartstikke veel kinderen van laagopgeleide ouders waar het helemaal naar behoren mee gaat, en ook andersom. Waar het echt om gaat is de betrokkenheid van de ouders en de werkhouding die ze leren aan hun kind. Oftewel: hoe belangrijk maak je school voor je kind? Hoe betrokken ben je? Ga je naar de tafeltjesavond? Vraag je of het huiswerk af is en controleer je het ook? Spreek je thuis Nederlands? 

Het gaat dus niet om pech, om geluk, om onrecht, om rendementsdenken, om marktwerking of om welke andere reden dan ook die linkse politici kunnen bedenken om mensen maar niet op hun persoonlijke verantwoordelijkheid hoeven aanspreken. De verschillen in het onderwijs, die ‘tweedeling’ voor wie perse wil, is het resultaat van het gedrag van de ouders. Dus als we iets aan die verschillen willen doen, laten we dan daarbeginnen.

Voordat dat lukt zal er nog wat water door de Maas moeten. Want in plaats van het echte probleem bij de hoorns te vatten, hoor je linkse politici er zelfs voor pleiten om de bijl in de vrijwillige ouderbijdrage te zetten, om scholen ‘breder toegankelijk’ te maken. Die bijdrage moet gemaximeerd worden, vinden ze, en scholen moeten verplicht worden om luid en duidelijk te communiceren die hij vrijwillig en zeker niet verplicht is. Maar dat mensen de vrijwillige bijdrage niet als vrijblijvend ervaren is hartstikke terecht. En voor die bijdragen hoef je niet rijk te zijn, maar het onderwijs van je kind moet wel een hoge prioriteit voor je hebben. Dat is precies het punt ervan. En voor wie aantoonbaar het echt niet kan betalen, is er op elk van deze scholen potjes. Mag je als ouder het onderwijs van je kind zo belangrijk vinden dat je het perse naar een school wil sturen waar je dankzij de bijdrage zeker weet dat de andere ouders hun kind ook achter de reet aanzitten tot het huiswerk is gemaakt? Alsjeblieft zeg, natuurlijk. Sterker nog, daar kan de rest van de stad een voorbeeld aan nemen. En als dat gebeurt, is het vanzelf niet meer nodig.

Deze column is oorspronkelijk gepubliceerd op Dagblad010.nl

Categorieën
Columns

In gelul kun je niet wonen

‘In gelul kun je niet wonen’, zei het Amsterdamse raadslid Jan Schaefer ooit. Daarmee gaf hij mooi aan dat er nog wel eens spanning bestaat tussen wat politici zeggen en wat ze doen. Want hoewel praten een groot onderdeel van het werk is, zijn politici er natuurlijk uiteindelijk om beslissingen te nemen en om dingen voor elkaar te krijgen. Ze zijn er niet om over huizen te praten maar om ze te bouwen, in het voorbeeld van Schaefer. 

Daar zal iedereen het mee eens zijn, maar toch is er ook in de Rotterdamse politiek een eigenaardige spanning tussen het zeggen en het doen en tussen wat daarover wordt beweerd en de realiteit. Het korte politieke seizoen sinds de verkiezingen heeft wat dat betreft al een paar interessante gevallen opgeleverd. 

Als eerste schiet dan natuurlijk de coalitievorming te binnen. Er wordt gezegd dat kiezers buitenspel zijn gezet, maar ook voor rechtse kiezers die niet op de VVD hebben gestemd zitten in de middencoalitie eigenlijk alle belangrijke punten. Allereerst kunnen wij 168 van de 200 actiepunten uit ons verkiezingsprogramma gaan uitvoeren. Daar komen nog heel veel van de to do’s bij die we tijdens de campagne aan voordeuren hebben opgehaald. 
Bovendien hebben we op veiligheids- en integratiegebied nog veel belangrijke verbeteringen in het akkoord gekregen, zoals een stop op opruiende buitenlandse politieke bijeenkomsten en gebiedsverboden voor haatpredikers. 

Men kan er als partijen de pest over in hebben dat zij niet degenen zijn die het beleid uitvoeren, maar luidkeels en met veel misbaar roepen dat kiezers buitenspel zijn gezet is gewoon onjuist. Er gaat ongelofelijk veel voor ze worden gedaan

Een ander interessant voorbeeld is de kwestie De Evenaar. Lang verhaal kort: De Evenaar is een oud verzorgingshuis in Oosterflank, waar met een nieuwe invulling o.a. 35 licht psychologische patiënten worden gehuisvest. Omdat er al overlast is van een naburige verslavingsopvang, is een flink deel van de omwonenden tegen dit plan. Zo ook in eerste instantie wij, omdat het er lang op leek dat er inderdaad kans op meer overlast zou zijn. 

Die vrees bleek deels te berusten op een verkeerd beeld van het soort mensen dat er gaat worden opgevangen. Daarnaast komen er talloze verbeteringen voor de wijk en, op ons voorstel, een stevig veiligheidspakket. De overlast in de wijk gaat zo eerder flink af dan een beetje toenemen en Oosterflank wordt alles bij elkaar zo’n beetje de veiligste wijk van Rotterdam. 

Als je dat voor elkaar kunt krijgen, dan moet je het doen – ondanks dat het in de media minder lekker bekt en het niet is wat de omwonenden wilden horen. En dus ging ook in dit geval een aantal partijen met veel theater luid en duidelijk ‘aan de kant van de omwonenden staan’, maar nam een beslissing die recht tegen hun belang in gaat: men stemde tegen het plan, wat voor de omwonenden nog meer onzekerheid en geen van al de verbeteringen in de wijk zou betekenen. 

De moraal van beide verhalen: in een tijd waarin politici er steeds vaker voor kiezen om mensen met ronkende taal naar de mond te praten, is het interessant om eens stil te staan bij wat hun beslissingen eigenlijk zeggen. Wat dan blijkt is dat degene die het hardst roept dat hij voor je opkomt, niet altijd degene is die dat met zijn beslissingen ook echt doet. Sterker nog: meestal niet. Dat is belangrijk om te weten, want Schaefer had groot gelijk – en dat heeft hij nog steeds.