Categorieën
Essays

De migratiemiddenweg: minder mensen écht helpen

Meer of minder vluchtelingen opvangen? Het is één van de grote politieke tegenstellingen van deze tijd, en het voorbeeld bij uitstek van het morele absolutisme dat veel hedendaagse debatten domineert. Standpunten worden zelden bepaald door een nuchtere analyse van de realiteit en de afweging van voor- en nadelen, maar zijn veelal een reflectie van tot welke ‘morele stam’ je behoort. Wereldburgers die geven om mensen willen de grenzen zo veel mogelijk open, Nederlanders die geven om hun land willen de grenzen zo veel mogelijk dicht. Het is een kwestie van identiteit. De feiten zijn ondergeschikt, pragmatisme is verdacht, en de ander zit per definitie fout. Dat maakt de vorming van consensus over nieuw beleid steeds moeilijker, en dat is uitermate problematisch in een kwestie waarin de status quo onhoudbaar is. Voortzetting van het huidige asielbeleid zal namelijk tot heel veel vermijdbaar menselijk leed leiden, en zal tot steeds verdere polarisatie en sociale ontwrichting leiden. Dit is een oprechte poging om de zaak eens met begrip voor beide perspectieven te beschouwen en een nieuwe consensus te verkennen, met als uitgangspunt dat we allemaal op onze eigen manier heus wel deugen. Mensen in nood willen helpen is helemaal niet zo gek, en je zorgen maken over de gevolgen daarvan voor je eigen land ook niet.

Op de vlucht

In de ene week melden zich ruim zevenhonderd mensen bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in Ter Apel om asiel aan te vragen, in de andere wat minder. Gemiddeld ging het in 2019 om 2401 mensen per maand.[i] Een deel daarvan is daadwerkelijk vluchteling en krijgt een verblijfsvergunning. In 2018 betrof het ruim 79.000 mensen, in de jaren daarvoor schommelde dat aantal tussen 50.000 en 71.000.[ii] Een groot deel van hen verkrijgt na een aantal jaar de Nederlandse nationaliteit en blijft hier definitief: van de vluchtelingen die in de tweede helft van de jaren ’90 binnenkwam, geldt dit voor zeventig procent[iii]. Het totale aantal (voormalige) vluchtelingen met een verblijfsstatus beloopt de vele honderdduizenden. Een ander deel wordt niet als vluchteling erkend, krijgt geen verblijfsstatus en wordt verzocht terug te keren. In veel gevallen, volgens recente berichtgeving[iv] de helft, wordt aan dat verzoek geen gehoor gegeven en bij gebrek aan een sluitend uitzetmechanisme blijft het daar dan veelal bij. De regering faalt er nog steeds in dat de veranderen. Daarnaast bereikt een onbekend aantal migranten ons land wekelijks zonder zich überhaupt voor de procedure aan te melden. Zij verdwijnen rechtstreeks in de illegaliteit. Na vele jaren is het resultaat dat inmiddels naar schatting zo’n 300.000 mensen illegaal in Nederland verblijven. Deze aantallen gaan oplopen. Onvermijdelijk.

Aankomen

Op zichzelf zeggen deze cijfers echter nog niet veel, behalve dat je kunt vaststellen dat het om forse aantallen mensen gaat, maar dat van een “tsunami” of andere overweldigingsmetaforen geen sprake is geweest. Het zijn veel mensen, maar op de hand gewogen zijn het aantallen die een van de rijkste landen ter wereld best zou moeten kunnen “opvangen”. En dat is strikt genomen ook zo. Althans: als je zo weinig eisen stelt aan dat “opvangen” als we hebben gedaan — en nog steeds doen. Jarenlang behelsde dat namelijk niet veel meer dan voorzien in een huisje en gezondheidszorg voor het gezin, een uitkering voor de ouders, en onderwijs voor het kind. Pas na invoering van de Wet Inburgering uit 2007 werden mensen ook in enige mate sociaal-cultureel en maatschappelijk wegwijs gemaakt in ons land. In 2013 werd die “inburgering” dankzij herziene wetgeving nog iets verder verbeterd en in 2021 zal dat nog eens gebeuren.

Het is en blijft echter een bijzonder schrale opvatting van opvangen, met flinke individuele en maatschappelijke gevolgen. We stellen deze mensen in staat om hier te leven, maar maken ze nauwelijks onderdeel van onze samenleving en slagen er evenmin in om ze een goede kans te geven op het soort leven dat we voor onszelf wensen. De kwaliteit van hun leven ligt in veruit de meeste gevallen zelfs rond de absolute ondergrens van wat we in Nederland acceptabel vinden. Een bijstandsuitkering, veelal een karig huisje in een armoedige wijk met weinig sociale cohesie[v], een vaak beperkt en vrijwel altijd eenzijdig sociaal leven, weinig kans op arbeidsvreugde en professionele ontwikkeling, laat staan een carrière. Die 300.000 illegalen of ongedocumenteerden hebben zelfs dìt niet. Het is een perspectiefloos bestaan aan de rand van een samenleving, die in veel opzichten wezensvreemd voor ze is. Natuurlijk zijn er die dit weten te ontstijgen, maar in rond de 70 procent[vi] van de statushouders is de bijstandsafhankelijkheid, met alle bijkomende beperkingen, blijvend. Illegalen of ongedocumenteerden hebben geen bijstandsuitkering en moeten in hun onderhoud voorzien door zwart werk te verrichten in erbarmelijke omstandigheden of in het criminele circuit. Dat is een alarmerend slecht en gewoonweg onacceptabel resultaat.

De vraag is: waar ligt dit aan? Studies naar de integratie van Syrische[vii] en Eritrese[viii] vluchtelingen leiden tot een pijnlijk duidelijk antwoord: wij Nederlanders onderschatten volkomen, omdat we zelf nu eenmaal niet beter weten, hoe ongelofelijk complex, veeleisend en ook hard het leven in ons land is. Wie vanuit een warm land met een veelal laagontwikkelde samenleving in het koude, natte, moderne en individualistische Nederland terechtkomt, heeft een sociaal-culturele Marianentrog te overbruggen. Álles is anders. Het is een opgave van epische proporties, waarmee mensen zich geconfronteerd zien die door de ellende die tot de vlucht leidde en de ellende van de vlucht zelf, ook nog eens bepaald niet in hun beste doen zijn. De hulp die wij ze daarbij bieden is een inburgeringscursus en taallessen, waarvoor ze een prestatiebeurs krijgen en die ze zelf moeten inkopen, en ze krijgen bij veelvoorkomende praktische zaken wat ondersteuning van de geweldige vrijwilligers van Vluchtelingenwerk. Daarnaast is er een paar keer per jaar een gesprekje met een ambtenaar van de gemeentelijke sociale dienst. Nee, zo lukt het niet.

Dat wordt erkend door het kabinet en de gemeenten die het mislukken van de integratie en de gevolgen daarvan van dichtbij zien, zoals deze week mijn Rotterdamse VVD-collega wethouder Bert Wijbenga. Daarom is er een nieuw inburgeringsstelsel in de maak, waarmee nieuwkomers een beetje meer worden ontzorgd: ze hoeven niet meer met een prestatiebeurs zelf op zoek naar een taalcursus en krijgen iets meer “intensieve begeleiding”. Zal dat werken? Een bijzonder project in Rotterdam doet vermoeden van niet. Stichting Nieuw Thuis Rotterdam, dat dankzij de generositeit van een Rotterdamse filantroop veel intensievere begeleiding en ondersteuning biedt dan met publiek geld op grote schaal mogelijk is, bereikt vooralsnog geen beter resultaat dan zelfs het huidige inburgeringsstelsel. De mensen vinden in veruit de meeste gevallen geen aansluiting bij de rest van de maatschappij, krijgen te maken met persoonlijke en relationele problemen als gevolg van de cultuurschok, blijven hardnekkig bijstandsafhankelijk, en zijn slecht in staat om hun kinderen te begeleiden bij het opbouwen van hun eigen leven. Het is problematiek die generaties lang na-ijlt, weten we dankzij de ervaringen van de voormalige gastarbeiders en hun families. Dit is ondanks dat alle deelnemers aan het project zorgvuldig geselecteerde, “kansrijk” geachte Syrische gezinnen zijn. De problematiek met Afrikaanse vluchtelingen is vele malen groter, zoals ook blijkt uit het eerder aangehaalde SCP-onderzoek naar Eritreeërs. Het nieuwe inburgeringsstelsel is allicht een stapje vooruit en komt onmiskenbaar met de beste bedoelingen tot stand, maar ook dat gaat inburgeraars niet op grote schaal écht integreren. Vanuit dat perspectief is het in feite dead on arrival.

Samengevat is de realiteit voor vluchtelingen die in Nederland aankomen, binnen de huidige én binnen de voorziene praktijk, schrijnend. De kwaliteit van hun leven is in veruit de meeste gevallen rond de absolute ondergrens van wat we voor onszelf acceptabel vinden, en in het geval van de honderdduizenden illegalen of ongedocumenteerden daar zelfs ruimschoots onder. Het heet dat we mensen helpen, maar in werkelijkheid parkeren we ze in een almaar groeiende onderklasse. Als er niet écht iets verandert, gaan we daar gewoon mee door.

Ontvangen

Aan de ontvangende kant, de Nederlandse samenleving, zijn de gevolgen van de huidige praktijk evenmin acceptabel. Daarbij passen een aantal woorden vooraf. Lang zijn discussies over ons asielbeleid gevoerd in de context van een land dat zich, zonder dat het zich dit goed realiseerde, in een tweede gouden eeuw bevond. Naast ongekende vrijheid en een voorlopersrol op het vlak van sociaal-culturele ontwikkeling, die we nog steeds hebben, genoten we ook van een aanhoudende en brede welvaartsstijging die zijn weerga in de menselijke geschiedenis niet kent. Waar Nederland tot aan de Tweede Wereldoorlog lang een vrij middelmatig landje was, dat bij vrijwel alle grote economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de Westerse wereld een beetje achteraan hobbelde, werden we in de periode na dien vrij snel een ware economische powerhouse. Er zijn inmiddels bijna geen “lijstjes” meer waar we niet minstens in de top-vijf staan. In de loop van de decennia waarin zich die ontwikkeling voltrok is een gevoel van vanzelfsprekend staan. Van onvermijdelijkheid en van onaantastbaarheid bijna. De plek bovenin al die lijstjes is niet alleen terecht, maar haast onze lotsbestemming. We kunnen het ons niet anders voorstellen. Hoewel we allemaal zèlf best meer geld in onze portemonnee hadden willen hebben, hadden we het gevoel dat onze collectieve rijkdom letterlijk niet op kon. In een land dat er zó voor staat, en dat ook nog eens de knagende schuldlast van kolonialisme en het trauma van de Tweede Wereldoorlog draagt, is het begrijpelijk dat de overtuiging ontstaat dat we de morele plicht hebben om zoveel mogelijk mensen van onze rijkdom te laten meeprofiteren. Wij zijn bijna onbegrensd bevoorrecht, en dat hebben we ten koste van andere bereikt. Vanuit die grondhouding wordt over het asielbeleid nog steeds gedacht, is mijn indruk als ik mijn linkse politieke vrienden erover spreek. Dus als zich dan ruim zevenhonderd mensen per week in Ter Apel melden, dan is dat iets dat we maar gewoon moeten doen. Dit tijdperk nadert echter z’n eind.

Allereerst neemt onze relatieve rijkdom ten opzichte van de rest van de wereld snel af. Met een bruto binnenlands product van ruim 900 miljard euro per jaar zijn we met ons 17 miljoenen op dit moment de zeventiende economie ter wereld. We behoren tot de meest innovatieve, meest dynamische en meest productieve economieën. Voor een land dat het vrijwel zonder natuurlijke rijkdommen moet stellen en ook niet overdreven strategisch gelegen is, is dit is uniek. Dit gaat veranderen, en sterker nog: dat is al aan het gebeuren. Zeker, er zijn nog steeds weinig landen waar zo snel zoveel mensen de nieuwste iPhone hebben, maar de wezenlijke technologische en economische vernieuwing vindt nu al steeds vaker in Azië plaats. Volgens een breed opgezette doorrekening van PwC uit 2017[ix], zal Nederland in 2050 nog maar de 32e economie ter wereld zijn. Onze voormalige kolonie Indonesië is tegen die tijd de vierde economie ter wereld en we zullen ook ruimschoots zijn voorbijgestreefd door landen als Nigeria, Bangladesh, de Filipijnen, Vietnam, en Maleisië. In de G8, de acht grootste economieën ter wereld, zit geen enkel Europees land meer.

Je kunt denken: wat maakt ons onze plek op zo’n lijstje nou uit? Op zichzelf niet veel natuurlijk. Maar de economische rangorde maakt wel degelijk uit, omdat het een indicator is van invloed. Grotere economieën hebben een groter belang en meer machtsmiddelen om hun stempel te drukken op het verkeer tussen landen, en trekken ook meer investeringen en bedrijvigheid aan. Hoe lager wij in die rangorde staan, hoe minder relevant we worden en hoe meer wij naar andermans pijpen zullen moeten dansen. Zeker, als de huidige ontwikkeling van het stap-voor-stap ontmantelen van het internationaal recht ten gunste van power play doorzet. Dat heeft effecten in onze eigen samenleving: we zullen meer en meer het gevoel krijgen dat we afhankelijk zijn van de grillen van andere landen. En dat zullen steeds vaker landen zijn die niet op ons lijken en weinig boodschap hebben aan wat ze daar in het kleine Nederland te mopperen en te vingerwijzen hebben. Is Nederland nu al collectief verontwaardigd als Rusland en Turkije lak aan ons hebben, en als zelfs Marokko onze staatssecretaris van Migratie schoffeert: dat is nog maar het begin. Het gevoel van morele verplichting aan de rest van de wereld zal snel wegebben, nog meer dan op dit moment al is gebeurd.

Daar komt een belangrijke binnenlandse ontwikkeling bij: de vergrijzing. De babyboomgeneratie gaat langzaam maar zeker met pensioen en zal daar gemiddeld zo’n 30 tot 35 jaar in blijven. Tegelijkertijd blijven de zorgkosten spectaculair stijgen. Er kán meer, dat is fantastisch, maar het gebéurt ook allemaal, en dat is peperduur. Zeker in die laatste levensjaren zijn de kosten enorm. Bij elkaar opgeteld leidt het ertoe dat een afnemende groep werkenden de steeds toenemende kosten voor levensonderhoud en zorg van een groeiende groep gepensioneerden moet dragen. De belastingen en premies zullen toenemen, en het gevoel van dusdanige welvaart dat we wel wat kunnen missen neemt, zeker in het licht van die veranderende verhoudingen in de wereld, af.

Deze ontwikkelingen zetten zich in op een moment dat de publieke sector al ernstig overvraagd wórdt. De politie kampt nu al met dramatische tekorten, waardoor aangiftes blijven liggen en cruciaal wijkwerk onder druk staat. Er staan nu al te weinig leraren voor de klas om alle kinderen met speciale noden en achterstanden te ondersteunen en daarnaast ook nog eens voldoende aandacht te hebben voor de “gewone” leerlingen. In de zorg hebben we nu al te weinig handen aan het bed, en te weinig tijd voor een beetje aandacht. In de jeugdzorg is de werkdruk nu al onverantwoord hoog. De krijgsmacht krijgt nu al duizenden vacatures niet ingevuld. De mensen zijn er wel, maar de publieke sector slaagt er niet in om de concurrentie om menskracht van de private sector te winnen. En de collectieve lastendruk is nu al op het hoogste niveau in vele jaren. Daarnaast is de energietransitie bepaald geen kleinigheid. Het vraagt veel van mensen, zowel in geld als in persoonlijke belasting.

En dit alles komt nadat het draagvlak voor een asielbeleid zoals we dat nu hebben al decennia tanende ís. Het ís al een van de meest gepolariseerde politieke splijtzwammen in generaties. Veel Nederlanders, waarvan een groot deel in de onderste helft van de sociaal-economische piramide, vragen zich al lang met oplopende frustratie af, vanuit hun perspectief verwoord, waarom zoveel mensen hier kunnen blijven die in veel gevallen weinig bijdragen en vooral nemen — zelfs als het land van herkomst alweer veilig is. Je kunt daarvan vinden wat je ervan vindt, maar het is een feit dat die gevoelens er zijn, dat ze persistent zijn, en dat die leiden tot toenemende polarisatie en toenemend conservatisme. De blijmoedige tolerantie waar Nederland in de vorige eeuw om bekendstond ís al grotendeels verbleekt. Vrijwel alle mensen die nu op de verfoeide partijen van Wilders en Baudet stemmen, stemden ooit op sociaal-cultureel progressieve partijen als de PvdA en VVD. Uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt dat niet alleen nieuwkomers, maar ook autochtone Nederlanders zich steeds minder in Nederland thuis voelen.[x]

Toename

Bovenal zal de migratiedruk toenemen. De mensen die nu naar Europa migreren, komen uit het Midden-Oosten en Afrika, weg van de omstandigheden ter plekke, die variëren van burgeroorlogen en onderdrukkende regimes tot erbarmelijke economische perspectieven. Die omstandigheden gaan niet beter worden. Of je nu gelooft dat de opwarming van de aarde door mensen teweeg wordt gebracht of niet, dát de aarde opwarmt kan een redelijk mens niet meer ontkennen. Dat dit consequenties heeft, evenmin. De burgeroorlog in Syrië, als onderdeel van de Arabische Lente, was het eerste grote gewelddadige conflict dat (grotendeels) aan de gevolgen van die opwarming kan worden toegeschreven. Door opeenvolgende warme jaren mislukte oogst na oogst en steeg de prijs van brood, wat de al langer sluimerende onvrede tot een gewelddadige explosie bracht. Met een massieve vluchtelingenstroom als gevolg. Dergelijke conflicten zullen vaker gaan ontstaan. En zelfs daar waar het niet tot zulke gruwelijke geweldsuitbarstingen komt, zullen stijgende temperaturen, afnemende watervoorraden en een navenant gebrek aan perspectief mensen op de vlucht blijven brengen. De factoren die nu al zoveel mensen tot migratie aanzetten, zullen verergeren. Zelfs als de niet als ondenkbaar te diskwalificeren totale “social collapse” die de Amerikaanse wetenschapper Jem Bendell[xi] voorziet niet in die mate en in dat tempo werkelijkheid wordt, kijken we aan tegen decennia van sociale catastrophes in de regio’s waar extreem weer en opwarming zich nu al doen gelden. De VN spreken nu al van migratiestromen van vele tientallen miljoenen — een veelvoud van de vier miljoen Syrische vluchtelingen die hun land de afgelopen jaren verlieten. En dus zal het bij ongewijzigd beleid op de Middellandse Zee en bij Ter Apel steeds drukker worden met mensen die vrijwel kansloos zijn om succesvol in onze samenleving te integreren, voor wie we niks anders kunnen betekenen dan ze te parkeren in onze onderklasse, waarvoor de voorzieningen als gevolg van de geschetste ontwikkelingen eerder soberder dan ruimer zullen worden. We zullen stelselmatig een nieuwe onderklasse naar binnen halen, terwijl er nog zoveel mensen op verheffing hopen die hier al zijn. Het is een aanzwellende sociale catastrophe, wrang genoeg ontstaan uit overmoedige medemenselijkheid.

Het roer om

Al deze ontwikkelingen komen bij elkaar. Bij ongewijzigd beleid groeit die onderklasse, neemt het absorptievermogen van de samenleving en van de publieke voorzieningen steeds verder af, en neemt de weerstand ertegen, met alle maatschappelijke en politieke gevolgen van dien, tot steeds minder te behappen proporties toe. Simpel gezegd: wie Wilders of Baudet daadwerkelijk nog een keer als premier wil zien, moet vooral het beleid laten zoals het is. We helpen er niemand écht mee, en we ondergraven onszelf. Asiel- en migratiebeleid kan dus niet langer een kwestie zijn waarin korte termijn emoties domineren, zelfs als die voortkomen uit of worden uitgelegd als menselijkheid of vaderlandsliefde. Natuurlijk speelt de vraag altijd wat voor land wij willen zijn, en daarin hebben emoties en idealen een centrale rol, maar we moeten daarenboven helder en scherp zijn over de consequenties, en van dáár uit redeneren. Het roer moet om.

Om te beginnen moeten we onder ogen zien dat onze invulling van “opvangen” volstrekt ontoereikend en zowel individueel als maatschappelijk schadelijk is. Vluchtelingen, die in veruit de meeste gevallen permanente migranten worden, daadwerkelijk opnemen in onze samenleving op een manier dat ze állemaal vanaf de eerste generatie per saldo aan de maatschappij kunnen bijdragen, vergt simpelweg veel meer dan een taalcursus, een huis, een uitkering, wat praktische hulp en een participatieverklaring. Zij moeten worden opgenomen in het sociale weefsel van de samenleving en dat kunnen we niet aan de overheid uitbesteden. Het moet in de samenleving gebeuren. Dat is geen bezweringsformule, dat is een feit.

Op kleine schaal zijn er heel mooie voorbeelden van hoe dat kan werken: mentoringprogramma’s voor scholieren en studenten. Organisaties als de Stichting Giving Back bieden scholieren met een migratieachtergrond en een beperkt sociaal netwerk een mentor aan. Die mentoren helpen ze om hun weg te vinden in de samenleving, ondersteunen ze bij het maken van de goede keuzes, en stellen ook hun netwerk aan ze beschikbaar. Zulke programma’s zijn zeer succesvol, omdat ze deze kinderen vanuit de vaak kleine en geïsoleerde eigen gemeenschap, het bredere sociale weefsel van de samenleving in helpen. Ook voor statushouders is er een netwerk van ‘maatjes’, maar dat is nog onvoldoende. Er moet een gestructureerde aanpak komen om ieder individu of elk gezin een mentor of mentorgezin toe te wijzen, die intensief contact met ze onderhoudt, ze in aanvulling op de overheidsondersteuning de maatschappij helpt leren kennen, ze aan een netwerk helpt, en ze op andere manieren met raad en daad bij staat. Het is allerminst een voldragen voorstel, maar zoiets als dit zou het moeten zijn. Dan ontstaat verbinding in plaats van vervreemding, en dan wordt de natuurlijke behulp- en zorgzaamheid van mensen aangeboord, in plaats van hun evenzo natuurlijke neiging tot afwijzing van de vreemdeling.

Daarnaast moet voor elke vluchteling die tot werken in staat is een duaal taal-werktraject beschikbaar komen. De taal leren, werken en Nederlanders leren kennen is veel effectiever als dat tegelijkertijd en op één plek gebeurt, dan als het in plaats en tijd gescheiden trajecten zijn. Dat heeft een succesvolle proef in Rotterdam aangetoond. Mensen hier ontvangen wordt dan ze de hand reiken en ze omarmen met wederzijds voordeel, in plaats van ze buiten het zicht in de onderklasse te parkeren en denken dat we goed bezig zijn.

Om dit te laten slagen zullen we echter wel selectiever moeten zijn in wie we hier een verblijfsstatus geven. Dat betekent dat we überhaupt moeten selecteren — iets wat we nu niet doen. Wie hierheen komt laten we nu volledig aan hén over. De kans dat iemand succesvol integreert, een leven boven die onderklasse kan opbouwen en per saldo kan bijdragen aan ons land, speelt geen enkele rol. Zelfs niet bij het uiteindelijk toekennen van een permanente verblijfsvergunning, wat bijna een automatisme is geworden. De heel menselijke vraag of een Nederlandse mentor en migrant-mentee voldoende sociaal-cultureel raakvlak hebben om een betekenisvolle relatie op te bouwen is daarvoor een goede lakmoesproef. Er moet voldoende sociaal-culturele nabijheid tot de Nederlandse maatschappij zijn om hier echt te kunnen integreren, om echt onderdeel te kunnen worden van het sociale weefsel van ons land. Die vraag moet centraal staan als we mensen uitnodigen om naar Nederland te komen.

Ook legt dit, als we dus mensen niet in een uitdijende onderklasse willen parkeren maar ze daadwerkelijk een volwaardig lid van onze samenleving willen laten worden, een beperking op de aantallen mensen die we hier kunnen ontvangen. In eerste instantie zou dat aantal misschien zelfs nul moeten zijn, omdat het onze eerste prioriteit hoort te zijn om die vele duizenden migranten die al in onze onderklasse geparkeerd zíjn de hand te reiken, en ze te helpen hun bestaan hier te verbeteren. Als we toch aan iemand een morele verplichting hebben, dan is het wel aan hen. Zij zijn er nu het slachtoffer van dat we jarenlang meer op ons bordje hebben genomen dan we eigenlijk aankonden. Zij moeten daarbij ook actief de keus krijgen om terug te gaan naar het land van herkomst of een ander land in die regio. De vlucht is meestal een kwestie van ergens bewust van weg gaan, en niet ergens bewust naartoe gaan. Het is absoluut niet ondenkbaar dat er veel voormalige vluchtelingen in Nederland zijn, en overigens ook reguliere migranten, die hier gewoon echt niet kunnen aarden — om wat voor reden dan ook. Terug migreren, zonder spaargeld, zonder hulp, kan dan voelen als een te grote sprong in het diepe. Laten we ze daar dan bij helpen, door ze een opleiding aan te bieden die daar nuttig is, en ze een smak geld mee te geven om daar een goede (her)start te maken. De wettelijke basis daarvoor is er al, met de Remigratiewet uit 2014: een product van VVD en PvdA. Het is tijd om die wet te gebruiken. Het helpt hen, en het schept hier de ruimte voor iemand anders die zich hier wél op z’n plek zal voelen en kan bijdragen aan de samenleving. En zo helpt het onszelf ook.

Een absolute vereiste om dit allemaal te kunnen laten werken is dat we volledige controle krijgen op migratie. Zolang we dat niet hebben, is elke poging om migranten radicaal betere kansen te geven tevergeefs. Ons steeds verder gelimiteerde absorptievermogen zal blijven worden uitgeput door mensen die hier nooit het soort leven zullen kunnen hebben dat we voor onszèlf wensen, en die nooit volwaardig zullen kunnen bijdragen aan ons land, in een tijd waarin we dat steeds meer van iedereen nodig hebben. Er zal dan ook simpelweg steeds minder draagvlak voor zijn om überhaupt nog mensen te ontvangen. Controle krijgen en selectief toelaten enerzijds en een nieuwe, veel positievere houding ten aanzien van opvang anderzijds gaan hand in hand, en een blijvend gebrek aan controle en toenemende xenofobie en polarisatie evenzeer.

De grote voorkeur heeft het als we met de gehele Europese Unie en binnen de relevante internationale verdragen tot een sluitend migratiecontrolemechanisme kunnen komen. De EU moet rondom de buitengrenzen en in de regio van brandhaarden opvangvoorzieningen totstand brengen om te helpen vluchtelingen in veiligheid te brengen, in samenwerking met Afrikaanse en Midden-Oosterse partners. Van daar uit kunnen mensen gericht worden uitgenodigd om naar Nederland te komen en hier, met échte hulp, een mooi bestaan op te bouwen. Wie onuitgenodigd komt, moet altijd worden teruggestuurd en dat systeem moet sluitend zijn, eveneens in EU-verband. Daarvoor moeten met de landen van herkomst overeenkomsten worden gesloten, indien nodig met behulp van financiële en geopolitieke machtsmiddelen. Als verdragen dit in de weg staan, dan moeten ze worden gemoderniseerd of in het uiterste geval worden opgezegd. Alleen dán krijgen we er grip op, en alleen dan zullen we in staat zijn om mensen écht te helpen.

Minstens zo belangrijk is dat we actief samenwerken met de landen rondom Europa om hen te helpen zich te ontwikkelen. Daarbij moeten we ook naar onszelf kijken: de absurde subsidies op Europese landbouw, waardoor Afrikaanse agrariërs uit de markt worden geprijsd, moeten ook om deze reden van tafel. Ten slotte, en meest cruciaal, moeten we óók om reden van beheersing van migratie absoluut de klimaatverandering bestrijden en landen die er het meest door worden getroffen helpen met klimaatadaptatie.

Conclusie

Uitwisselingen van ideeën over asiel- en migratiebeleid zijn altijd beladen, en monden maar al te vaak uit in felle botsingen. De verwijten liggen altijd op de loer, en zijn zelden van de lucht. Ben je een goed mens en ben je bereid onze welvaart met anderen te delen, of ben je een slecht mens en wijs je mensen in benarde situaties bot de deur. Ben je een goed mens en geef je om het behoud van onze kwetsbare verworvenheden, of ben je een slecht mens die een hekel heeft aan zijn eigen land en gemeenschap. Wie er helder naar kijkt, ziet dat we met de huidige praktijk beide overtuigingen van wat goed is niet waarmaken. We delen onze welvaart niet met andere mensen, omdat we ze in veruit de meeste gevallen parkeren in een onderklasse, op de ondergrens van de kwaliteit van leven die we voor onszelf acceptabel vinden — en in veel gevallen daar zelfs onder. Onze kwetsbare verworvenheden behouden we evenmin, als we doormodderen op de huidige weg.

De positie van Nederland verandert. We zullen een welvarend land blijven, maar onze relatieve rijkdom neemt af en daarmee ons vermogen om relevante ontwikkelingen te beïnvloeden ook. Daar komt bij dat door demografische ontwikkelingen de druk op onze collectieve voorzieningen enorm wordt. Niet lang geleden kon het allemaal niet op, en over niet al te lange tijd moeten we daadwerkelijk alle dubbeltjes omdraaien. We gaan naar een toekomst waarin we meer dan ooit van ieder en elk lid van onze samenleving het beste nodig hebben. Dat betekent dat we veel selectiever moeten zijn met wie we hier ontvangen, en dat we iedereen die we hier ontvangen ook écht moeten helpen om er hier een succes van te maken. Om te beginnen met al die mensen die hier al zijn. Dat zou de nieuwe consensus over asielmigratie moeten zijn. Beide kampen zijn nu allebei níet het goede mens dat ze zouden willen zijn. Maar we kunnen het, allebei, wel worden.

Wat krijgen we dan? Een mooi land met een sterke samenleving, waar mensen onderdeel van mogen worden die dat ook kunnen — en die daarbij échte hulp krijgen.


[i] Immigratie- en Naturalisatiedienst, Asylum Trends: Monthly report on Asylum Applications in the Netherlands, September 2019, https://ind.nl/en/Documents/AT-September_2019_Hoofdrapport.pdf

[ii] Centraal Bureau voor Statistiek, Verblijfsvergunningen voor bepaalde tijdhttps://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/82027NED/table?fromstatweb

[iii] Zwaan, I. de, ‘Gros van de statushouders blijft in Nederland, maar er is ook een deel dat ‘hopt’’, De Volkskrant, 10 oktober 2019

[iv] ‘Kabinet maakt eigen plannen terugsturen asielzoekers niet waar’, NOS, 13 januari 2020, https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2318508-kabinet-maakt-eigen-plannen-terugsturen-asielzoekers-niet-waar.html

[v] Jennissen, R., Engbersen, G., Bokhorst, M., Bovens, M. (2018), De nieuwe verscheidenheid. Toenemende diversiteit naar herkomst in Nederland, Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid

[vi] Sociaal-Economische Raad, Integratie door werk. Meer kansen op werk voor nieuwkomers, Mei 2019, https://www.ser.nl/-/media/ser/downloads/adviezen/2019/integratie-door-werk.pdf

[vii] Dagevos, J. et al. (2018), Syriërs in Nederland. Een studie over de eerste jaren van hun leven in Nederland, Sociaal en Cultureel Planbureau

[viii] Sterckx, L., Fessehazion, M. (2018), Eritrese Statushouders in Nederland. Een kwalitatief onderzoek over de vlucht en hun leven in Nederland, Sociaal en Cultureel Planbureau

[ix] PwC (2017), The Long View: How will the global economic order change by 2050?, https://www.pwc.com/gx/en/world-2050/assets/pwc-the-world-in-2050-full-report-feb-2017.pdf

[x] Sociaal en Cultureel Planbureau (2017), Kwesties voor het kiezen

[xi] Bendell, J. (2018), Deep Adaptation: A Map for Navigating Climate Tragedy, IFLAS Occasional Paper 2, www.inflas.info

Categorieën
Essays

Essay: Een weekje skeer

(Longread)

Het besluit

Drieëntwintig minuten voor vier. ‘Goedemiddag! Kan ik u helpen?’ Zeventien minuten voor vier. ‘Dat is dan negenennegentig vijfennegentig. Pinnen?’ 

Twee nieuwe polo’s gekocht, want die had ik nodig. Of nou ja, “nodig”, ik heb voldoende mooie kleding in m’n kast hangen, maar ik heb vanavond de wedding anniversary van een dierbare collega en ik heb bedacht dat het een mooie gelegenheid is, namelijk een luxe tuinfeest in de stralende zon waar ook nog wat genetwerkt kan worden, om onder m’n jasje een witte polo te dragen. Het werden er twee, want op de tweede krijg je drieëndertig procent korting. ‘Als echte Hollander maak ik daar natuurlijk gebruik van’, zei ik nog tegen de verkoper. Veertig euro meer uitgegeven dan de zestig euro die ik van plan was strikt genomen onnodig uit te gegeven, en ik loop naar buiten met een gevoel alsof ik toch maar weer mooi wat geld bespaard heb. 

Dat ik me dat überhaupt bedacht kwam omdat de dag erna mijn “Vijftig euro challenge” begon: een week lang zouden mijn vriendin en ik van vijftig euro leven, de helft van wat ik net in zes minuten wegsmeet, om zo te ervaren hoe het is om arm te zijn en solidariteit te tonen aan de vele Rotterdammers in armoede. Sinds ik besloot om na Ellen Verkoelen en zeven andere collega-raadsleden ook mee te doen, was al langzaam maar zeker een bepaald bewustzijn bij me gaan ontstaan. 

Het besluit om mee te doen was voor mij wat minder intuïtief vanzelfsprekend dan ik denk dat het voor de collega’s was geweest. Sterker nog, om eerlijk te zijn heb ik me er wekenlang onbewust en bij vlagen heel bewust tegen verzet. Toen de eerste uitnodiging per mail kwam, vlak voor het zomerreces, heb ik die zonder veel nadenken naast me neergelegd. Altijd als het gaat over de bijstand en over armoede en over hoe zwaar dat is voor de mensen die het treft, is mijn reactie, die ik overigens gelukkig – denk ik met mijn blik van nu – meestal voor mezelf houd, dat ik dat natuurlijk zelf als geen ander weet. Mijn moeder heeft jarenlang met een bijstandsuitkering voor mijn broertje en mij moeten zorgen en hoewel ik nog een jong kereltje was, kan ik me vrij veel van die tijd herinneren. We hebben het er ook nog vaak over. ‘Ik hoeft niet te ervaren hoe het is om arm te zijn, want dat weet ik nog uit eigen ervaring’, kon ik mezelf vluchtig horen denken toen ik de mail van Stichting WARM las. 

Bovendien: ik kan wel een week met vijftig piek leven, maar gewoon een weekje “skeer” zijn, zoals we dat tegenwoordig dankzij onze kleurrijke stadsgenoten noemen, oftewel even weinig geld hebben, is niet te vergelijken met echte armoede. Ik heb een fijn huis, in een fijne buurt, een stabiel leven met veel liefde en mensen aan wie ik me zou kunnen optrekken om me heen, ik verkeer in goede gezondheid, heb een mooie nieuwe fiets onder m’n kont, een peperdure iPhone in m’n zak en een MacBook Pro in m’n tas. Ik zal geen zorgen hebben over wat voor perspectief ik m’n kinderen kan bieden, die ik overigens ook nog niet heb. Ik hoef me geen zorgen te maken over wat ze van mijn stress meekrijgen. Ik hoef me geen zorgen te maken over of hun vriendjes en vriendinnetjes vanwege onze armoede bij ze af zullen haken. Ik zal niet de voortdurende dreiging voelen van een onverwachte grote rekening, of een andere tegenvaller. Ik zal niet naast de directe geldzorgen ook nog eens de druk hebben van het zoeken naar werk of naar beter werk, als een voortdurende zeurende hoofdpijn. Het zal m’n gevoel van eigenwaarde niet aantasten. Integendeel: ik zal me er goed over voelen dat ik hieraan mee doe.

Stilletjes hopend dat de actie tijdens m’n vakantie zou vervliegen en ik het wel of niet meedoen niet verder zou hoeven overdenken, klapte ik eind juli m’n laptop voor een paar weken dicht. Op vakantie heb ik twee weken als een bezetene het transfergebeuren in de voetballerij gevolgd. Naast Feyenoord ben ik vrij fanatiek supporter van het Londense Arsenal, en daar stonden na een heel aantal magere jaren een paar recordtransfers op stapel. Een “recordtransfer” is een krankzinnige hoeveelheid geld die wordt betaald om een speler die marginaal beter is dan wat je al hebt van een andere club over te nemen, en om hem vervolgens elke week een krankzinnige hoeveelheid geld in salaris uit te betalen. Voor supporters is de logica simpel: hoe meer geld de club uitgeeft, hoe groter de kans op prijzen. Hoe meer je uitgeeft, hoe beter.

Om bovenop de laatste ontwikkelingen te zitten keek ik meerdere keren per dag wat de voetbaljournalisten meldden op twitter. In de eindeloze stroom berichten waar ik doorheen scrolde zag ik dan ook steeds de updates van Ellen voorbij komen, waardoor de Challenge in m’n gedachten bleef. Ik sprak erover met m’n vriendin. ‘Moet ik dit nou doen?’ ‘Ons standpunt gaat toch niet veranderen, is het dan niet hypocriet om een beetje “solidair” te doen?’ ‘Maar als ik het niet doe, verlies ik dan m’n recht van spreken?’ ‘Moet ik me door zoiets laten leiden?’ ’Maak ik het niet veel te persoonlijk?’ ‘Til ik er überhaupt niet veel te zwaar aan?’ Tot een conclusie kwam ik niet – ik hoopte nog steeds dat dat ook niet zou hoeven.

Direct na terugkeer bleek dat ijdele hoop: in mijn mailbox zat een verse mail van de organisatie met opnieuw de uitnodiging. Ik zou in ieder geval, uit goed fatsoen, moeten reageren – en dus een besluit moeten nemen. Dat stelde ik een paar dagen uit. Tijdens die dagen realiseerde me dat ik steeds zocht naar redenen om niet te hoeven, en het duurde even voordat ik boven tafel kreeg waarom. Er zat een diepe weerzin in me tegen het idee dat ik me weer arm zou voelen. Ondanks de fantastische manier waarop m’n moeder het heeft gedaan, ondanks het optimisme en het durven dromen dat ze ons heeft bijgebracht, en ondanks dat ze zelfs de moeilijkste momenten altijd wist om te draaien naar iets positiefs, hebben sommige ervaringen toch wat van me afgeknaagd. Stomme dingen, die er op die leeftijd erg toe lijken te doen. Zoals dat m’n vriendjes vaker en verder op vakantie gingen. En dat ze mooiere kleren droegen. Wat wìlde ik ook graag zulke mooie Ralph Lauren overhemden, die op de ene na die ik ooit tijdens de uitverkoop mocht kopen veel te duur waren. Wat wilde ik ook graag een meisje van de hockeyclub, maar waar ik me ergens niet goed genoeg voor voelde. Wat wilde ik eigenlijk stiekem graag bij het studentencorps, maar waar ik dacht tussen alle zoons uit rijke families toch niet op m’n plek te zijn. En wat wilde ik ook graag die air van zorgeloosheid kunnen voelen en uitstralen. Het behoort allemaal tot het verleden, maar iets in me verzette zich ertegen om die knagende armoedigheid opnieuw te ervaren. Helemáál achter me lag het klaarblijkelijk dus toch nog niet. Dat was confronterend. Niet alleen voor mij persoonlijk, maar ook voor mijn begrip van armoede. Mijn moeder, broertje en ik hebben ons er helemaal aan kunnen ontworstelen. Zij woont heerlijk in een appartement in De Esch en leeft regelmatig als een godin in Frankrijk; mijn broertje wordt binnenkort gepromoveerd tot kapitein bij de Koninklijke Luchtmacht en heeft de kunst van het levensgenieten tot nieuwe hoogten gebracht; en ik ben afgelopen zomer verloofd met het mooiste meisje van de hockeyclub, ik draag van die Ralph Lauren hemden die ik toen zo begeerde, en ik heb de grote eer om het volk van de vetste en meest interessante stad ter wereld te vertegenwoordigen – schouder aan schouder met de vent die, als ik lid was geworden van het corps, daar mijn president zou zijn geweest. In alles is ons leven honderdtachtig graden bijgedraaid, we hebben het goed en we laten het ons erg goed smaken – maar toch zitten sommige van die littekens er klaarblijkelijk nog steeds. Hoe moet dat dan zijn voor anderen, voor wie dat helemaal niet of maar ten dele geldt. Armoede snijdt dieper dan ik dacht.

Toen dit besef tot me doordrong, was de beslissing direct gemaakt: als ik al zoveel leer voordat ik er überhaupt aan ben begonnen, zowel over mezelf als over het fenomeen, dan moet ik wel. Bovendien wilde mijn vriendin inmiddels de uitdaging ook wel aan. Ik mailde de organisatie dat we – graag – mee wilden doen.

De Challenge

Grappend wijt ik het vaak aan mijn Duitse achtergrond, dat doe ik vaker, ik ben opgegroeid in een tijd dat een Duitse tongval zoals ik jarenlang heb gehad je niet populair maakte, en dit is een goede manier voor me geworden om daarmee om te gaan, maar ik ga graag grondig, oftewel Gründlich, te werk. Dus toen de zondag waarop onze Challenge begon daar was, ging ik allereerst aan de slag met de administratie. Met de website van het Voedingscentrum erbij zette ik op een rij wat je in een week zoal aan energie en voedingsstoffen binnen moet krijgen, en vervolgens berekende ik met welke producten je dat voor zo min mogelijk geld in huis haalt. Interessant: je ontkomt niet aan aardappelen of rijst voor de energie, maar met rijst (146Kcal) krijg je daar per honderd gram bijna twee keer zoveel van binnen als met aardappelen (83 Kcal). Neem dan wel zilvervliesrijst, want dat is weliswaar iets duurder, maar bevat veel meer vitamines dan witte rijst en ‘vult’ langer. We maakten een lijst met producten die we gedurende de week zouden kunnen gaan gebruiken en ik deed een rondje langs supermarkten in de buurt om prijzen te vergelijken. De Lidl blijkt voor bijna alles het goedkooptst te zijn, behalve voor vlees, waarvoor je naar de Turkse slager moet. En Albert Heijn heeft onder de bonus-aanbiedingen vaker echt superdeals, zoals in onze week twee zakken aardappelen voor de prijs van één. 

Hoewel we, na het maken van een concreet weekplan, later die middag samen de boodschappen daadwerkelijk zouden gaan doen, nam ik bij de Turkse supermarkt vast een grote doos eieren mee, waar die veruit het goedkoopst zijn. Vanwege een leveringsprobleem stond er namelijk nog maar één, en ik wilde niet riskeren dat ze straks uitverkocht zouden zijn. Een tasje had ik niet bij me en tien cent om er een te kopen vond ik te duur, dus met de doos onder de arm stapte ik op de fiets. Toen ik bij de zijuitgang van Eudokiaplein de stoep afreed kwam er onverwacht een auto achteruit mijn kant op en kon ik, onwennig met maar één hand aan het stuur, maar met moeite voorkomen dat ik er achterop knalde en de eieren te pletter vielen. Toen greep het me naar de keel: shit, als ik deze doos nu laat vallen heb ik een groot probleem. Dertig eieren weg, ruim zeven procent van ons budget weg. Nog nooit had zoiets doodgewoons als een doos eieren zoveel waarde voor me, en nog nooit hield ik, vervolgens, een doos eieren zo vastberaden vast zoals een leeuw zijn prooi als hij omringd is door hyena’s. Het moet er grappig uit hebben gezien. 

Toen kwam het weekplan. Wij leven normaal erg bij de dag. ‘Wat zullen we vanavond eens eten?’, zo rond kwart voor vier. ‘Waar heb je trek in?’, om half vijf. ‘Rij jij straks even langs Appie of zal ik?’ ‘Ik werk even door, ik bestel wel wat.’ Zo een beetje. Voor zulke ongedwongenheid zou deze week geen plek zijn, realiseerden we ons. Met z’n tweeën van vijftig euro rondkomen en goed en gezond eten kan, maar dan moet je wel plannen en slim inkopen. Voor het eerst van m’n leven wist ik nu dus op zondag wat ik dinsdagochtend, donderdagmiddag, en zaterdagavond zou gaan eten. Voor 41,89 euro waren we rond: 36 maaltijden, eten en melk voor de kat, tandpasta, koffie, en voor elke dag een appeltjes voor tussendoor. Zij zou een dag meelunchen op haar werk en had een teametentje op kosten van de zaak en ik heb op woensdag altijd raadscommissievergaderingen in het Stadhuis waarbij we ‘s middags en ‘s avonds een broodmaaltijd krijgen. Op vrijdagavond waren we uitgenodigd om te komen eten bij m’n broertje. 

Een mooi begin, nu zou het een kwestie zijn van gedisciplineerd uitvoeren. Daar kwam al maandagmiddag bijna de klad in. Ik had natuurlijk keurig lunch meegenomen naar m’n werk, die bestond uit bruine bonen met spek en stroop. Ongelofelijk lekker – en erg voedzaam. Maar, ontdekte ik rond drie uur, met net te weinig energiewaarde. Geld om even een tussendoortje te kopen, wat ik normaal zou doen, was er niet. Met een knorrende buik moest ik het uitzingen tot het avondeten. Een nieuwe ervaring. Wat smaakte ‘s avonds de rijst met diepvriesgroenten, sambal en een beetje kip goed. In de dagen erna kreeg ik er lol in om het eenvoudige, maar lekkere en voedzame eten op Twitter aan te prijzen. Bespaartips, daar zijn Nederlanders gek op, merkte ik. Heel even werd de Challenge zo zelfs een beetje leuk, of althans, het gaf voldoening en plezier. Al had het onderhuids ook andere effecten op hoe ik me voelde. Woensdagnacht droomde ik dat ik m’n werk verloor en een aantal spullen waar ik erg aan hecht moest verkopen, zoals de MacBook die ik vorig jaar na hard werken en sparen voor mezelf had gekocht. 

Bovendien gaat de Challenge natuurlijk over meer dan goedkoop eten. Het meest beklemmend vond ik het besef dat je van dit budget nauwelijks kunt reizen en geen geld hebt voor sociale activiteiten buiten de deur. Wij werken allebei in de stad en kunnen alle dagelijkse bestemmingen makkelijk met de fiets bereiken, dus daar ging geen geld aan op. Voor veel mensen is dat lastiger. Maar een auto hebben gaat eigenlijk niet, en ook het OV is gierend duur. Een leuk feestje in Amsterdam waar ik voor was uitgenodigd, moest ik deze week dus helaas laten schieten. Anderen kunnen soms – of vaak – bij iets veel belangrijkers niet zijn. Ook de kroeg, laat staan is een terrasje of discotheek, is onbetaalbaar. Je vrienden die wél geld hebben kunnen het allemaal gewoon doen, en jij niet. Die willen in eerste instantie misschien best nog wat voor je betalen, maar dat houdt een keer op. Je wereld kan zo vrij snel erg klein worden, en je kunt van je vroegere sociale wereld geïsoleerd raken. Je eigen buurtje, de mensen die je er kent, en de vrienden en familie die je in de buurt hebt, worden zo veel belangrijker voor je dan voor mensen die het geld hebben om in feite te gaan en staan waar ze willen. Je bent erop aangewezen. Dat je aan die eigen buurt daardoor ook veel sterker gaat hechten dan anderen, is alleen maar logisch. Die gewaarwording maakte indruk op me, en heeft me ook sindsdien veel aan het denken gezet. Weinig geld hebben betekent niet alles gewoon een beetje minder, maar betekent voor heel veel dingen van het moderne leven gewoon niet. Het is alsof je in een prachtig pretpark zit, met overal om je heen mensen die genieten van lekker eten en leuke attracties, en je mag zelf nergens in, je kunt niks kopen, sterker nog je zit vast aan een bankje ergens langs de rand en bent verplicht het allemaal de hele dag te aanschouwen. Dan ziet de wereld er echt anders uit. 

De lessen

De grote vraag waar de hele Challenge naartoe leidt is net zo eenvoudig, als het antwoord erop ingewikkeld is: en nu? Wat gaan we doen? Een grote valkuil van de mens is om in nieuwe ervaringen, onbewust, vooral de elementen op te pikken die bevestigen wat je al vond. Ook in deze Challenge kan iedere politicus vast een onderstreping zien van het standpunt over armoede dat je al jaren hebt. Links kan zeggen: ‘Het is verschrikkelijk, met alle rijkdom die er in Nederland is, is het een onmenselijk om mensen in armoede te laten leven. Geef ze er gewoon wat geld bij.’ En rechts kan zeggen: ‘Nee, het is geen vetpot, maar het is nou ook niet dat je sterft van de honger. Het leefgeld van iemand in armoede hier, is net zo veel als het gemiddelde maandsalaris in sommige andere Europese landen. Voor iedereen die wil, zijn er in Nederland alle kansen om er wat van te maken.’ Beide standpunten zijn een beetje waar, en een beetje niet. 

Ja, het is te gek voor woorden dat in de mooiste stad van Nederland één op de vijf kinderen opgroeit in armoede. Dat is een morele overtuiging, die ik van harte deel. Met de redenering dat het zo gek is omdát hier óók zoveel rijkdom is, heb ik minder. Als je naar de wereld kijkt, dan is er geen duidelijke relatie tussen veel rijkdom en weinig (relatieve) armoede. Sterker nog, in de meeste landen met extreme rijkdom is er óók extreme armoede. Er is geen bewijs voor dat het simpelweg op nog grotere schaal herverdelen van geld door de overheid dan we in Nederland al doen, armoede kan oplossen. In landen waar dat nog meer dan hier gebeurt, de weinige naar echt socialisme neigende landen die er nog zijn, wordt binnen niet al te lange tijd simpelweg iederéén arm. De reden waarom het gek – en onnodig – is dat nog zoveel mensen in armoede leven, is veel eerder dat we de afgelopen eeuw in Nederland nou juist meer dan in bijna alle andere landen onze maatschappij tot emancipatiemotor hebben omgevormd. Onze hele maatschappij is erop gericht om sociale stijging mogelijk te maken, en onze maatschappij is daarin ook ongekend succesvol. In Nederland weten we precies, zogezegd, wat ervoor nodig is om ieder dubbeltje een kwartje te laten worden. Ik ben er zelf een voorbeeld van. ‘Te gek voor woorden’, is het dus vooral dat dit ons hier in Rotterdam nog zo slecht lukt en dat armoede hier nog steeds zo vaak erfelijk blijkt te zijn. Overigens bedoel ik dat niet letterlijk, vriend Nourdin el Ouali, als je meeleest. 

Waar rechts ten dele gelijk in heeft, is dat armoede relatief is. Armoede in Nederland, is maar in weinig te vergelijken met de schrijnende toestanden in veel andere landen, zelfs binnen Europa. Of je nou in Berlijn, Athene, Lissabon, Parijs, Barcelona of Brussel bent: armoede daar ziet er echt anders uit dan hier. We geven jaarlijks zo’n 85 miljard euro uit aan uitkeringen en inkomensondersteuning, en dat is ongelofelijk veel. Dat mag echter niet betekenen dat we het er dan maar bij laten zitten. Ook is het waar dat er hier voor iedereen kansen zijn om vooruit te komen in het leven. Maar dat mag niet betekenen, als we zien dat veel mensen die kansen toch niet weten te vinden of te grijpen, dat we vinden dat het verder, tja, toch een beetje ‘eigen schuld, dikke bult’ is. Het simpele feit is namelijk dit: zelfs als je vindt dat aan onze morele verantwoordelijkheid is voldaan, omdat hier dankzij die enorme pot van 85 miljard euro niemand meer compleet door het ijs zakt, dan nog is het in het belang van ons allemaal om elk van die honderdduizend Rotterdammers uit de ellende te sleuren. We hebben het hier namelijk over honderdduizend, honderdduizend, mensen wier talenten en productiviteit niet tot hun recht komen. Het gaat om honderdduizend mensen die veel meer zouden kunnen bijdragen dan ze nu doen, omdat te veel tijd en energie nu wordt opgeslokt door simpelweg het hoofd boven water houden. 

We zijn als samenleving een team. Een team dat elke dag opnieuw een klein wonder verricht: deze stad, met de ongekende vrijheid, welvaart en kwaliteit van leven die we hier hebben, draaiende houden. Om dat vol te houden, in een tijd vol toenemende concurrentie zoals de opkomst van China opkomt en dreigingen zoals de opwarming van de aarde, hebben we van iedereen het beste nodig. Als we dat van één op de zes leden van ons team niet krijgen, dan is dat niet hun ‘eigen schuld dikke bult’, maar dan is dat een probleem voor ons allemaal. Dat is geen toekomstmuziek. Je ziet het in de tekorten die we nu al overal hebben. In de bouw. Bij de politie. In de zorg. In de horeca. In ICT. In het bedrijfsleven. Zouden die tekorten er zijn als we erin slagen om elk van die honderdduizend mensen op honderd procent te laten meedoen, in plaats van op tachtig, vijftig, of helemaal niet? En naast arbeidskracht hebben we ook meer dan ooit goede, slimme ideeën nodig. Elk van die kinderen die opgroeien in armoede, en daardoor op allerlei manieren worden tegengehouden, zou het genie kunnen zijn dat op het idee komt voor de volgende technologische of sociale doorbraak. Honderdduizend mensen in armoede, is honderdduizend (gedeeltelijk) gemiste kansen, elke dag opnieuw. Voor henzelf, en voor ons allemaal. Dat vind ik moeilijk te verdragen. Dus als je me vraagt: wat nu? Dan zeg ik: tijd voor actie. 

Eén simpele oplossing is er niet. Er is niet één knop die we om kunnen draaien. Wat er moet gebeuren stel ik me voor als zo’n DJ-paneel, met allemaal schuifjes. Elk schuifje staat voor iets dat er collectief, onderling of individueel moet gebeuren. Alle schuifjes moeten tegelijk geleidelijk omhoog. 

Ten eerste moet het genadeloze misbruik van mensen die financieel in de problemen zitten worden aangepakt. De schuldenindustrie, met incassobureaus en deurwaarders die mensen dieper de ellende in duwen en met bewindvoerders die veel verdienen en vaak nauwelijks helpen, moet flink worden hervormd. Ten tweede moeten we een serieuze discussie hebben over de ongebreidelde commerciële beïnvloeding en zelfs manipulatie van mensen. Er is een miljardenindustrie van marketingprofessionals ontstaan die precies weten hoe ze mensen kunnen verleiden om aankopen te doen die ze niet nodig hebben en zich eigenlijk niet kunnen veroorloven. Is het helemaal de eigen verantwoordelijkheid van mensen om daar weerstand tegen te kunnen bieden? Ik vraag het me steeds meer af. Ten derde zouden soft skills, de sociale en andere vaardigheden die je nodig hebt om in onze maatschappij succesvol je weg te vinden, een groter onderdeel van moet vormen van het onderwijs dat we onze kinderen bieden. Velen krijgen dat niet van huis uit mee, en dat houdt kinderen tegen. Ten vierde moet de sociaal-economische opbouw van onze stad veel gezonder worden. De stad is te gesegregeerd. Armoede is ook een gevolg van sociaal-economische eenzijdigheid. Je hebt wijken nodig waar de succesvollen niet gedwongen zijn te vertrekken, maar waar die in de buurt blijven en, heel letterlijk, kansen geven aan hun omgeving en een positief rolmodel kunnen zijn. Juist omdat mensen in armoede in hun bewegingsvrijheid beperkt zijn en hun leven zich dus voor een groot deel in de eigen wijk afspeelt, is dat cruciaal. Ten vijfde moet de politiecapaciteit flink worden vergroot. De politie richt zich door een chronisch tekort vaak alleen op de ‘grote vissen’, waardoor jongeren die lager in de criminele hiërarchie rondhangen veel te lang praktisch hun gang kunnen gaan. Dat levert heel veel negatieve rolmodellen op, houdt wijken in een negatieve spiraal, remt investeringen en de komst van bedrijvigheid en kansen, en houdt kinderen tegen om het juiste pad te kiezen, succesvol te worden en zelf na verloop van tijd kansen en een goed voorbeeld aan anderen te kunnen bieden. Ten zesde moet het stelsel van toeslagen anders, en dan met name het systeem van maandelijkse voorschotten en jaarlijkse eindafrekeningen. Dat leidt tot te veel onzekerheid en problemen. Ten zevende moet de begeleiding vanuit de bijstand naar werk intensiever en vooral ook positiever, met meer aandacht voor het systematisch helpen vergroten van de mentale en fysieke belastbaarheid van mensen. De Rotterdamse oud-atleet Patrick van Luijk is met zijn BioCheck een fantastische pionier op dat vlak. Die inzichten en werkwijze zouden de norm moeten worden. Ten achtste zouden alle succesvolle Rotterdammers, naast het netjes betalen van hun belasting, hun eigen verantwoordelijkheid moeten pakken door hun ervaring, kennis en netwerk aan kinderen uit minder fortuinlijke omgevingen beschikbaar te stellen. Er zijn bijvoorbeeld prachtige mentoringprogramma’s zoals Giving Back, waar ik zelf ook aan meedoe, waar, als je naar de schaal van het probleem kijkt, nog gênant weinig Nederlanders aan bijdragen. Het sociale weefsel moet niet alleen binnen elke buurt en elke wijk sterker, maar ook binnen de hele Rotterdamse samenleving. Ten negende moeten we investeren in ons teamgevoel. In onze teamgeest. We moeten ons beseffen dat we samen een team zijn, waarin niet alleen naar onszelf en naar de coach moeten kijken, maar ook naar elkaar. We moeten het schouder aan schouder doen. Een duidelijkere, meer bewust beleefde gedeelde Rotterdamse identieit is daarvoor noodzakelijk. En ten tiende, en ten slotte, moeten mensen in armoede natuurlijk zelf aan de bak. Uiteindelijk kunnen we collectief en sociaal de perfecte omstandigheden creëren, maar we kunnen het niet voor mensen doen. We kunnen het wel beter te doen maken, maar nooit makkelijk. Mijn moeder heeft fantastische hulp gekregen, een opleiding van de gemeente, maar zelfs dan is en blijft het keihard werken, tegenslagen overwinnen, twijfel de baas worden, zelfvertrouwen ontwikkelen, tigduizend keer al je moed verzamelen, ondanks alles positief blijven en volharden. Dat vraagt veel van een mens. Maar het kan. 

Ik schrijf deze laatste zinnen op een fraai dakterras in Athene, met uitzicht op de adembenemende Akropolis, waar ik samen met m’n broertje en m’n moeder ben om haar zestigste verjaardag te vieren. We kunnen het ons nu veroorloven. Reizen, lekker eten en drinken, leven als de goden waar hier duizenden jaren geleden indrukwekkende tempels voor werden gebouwd. Wie ons dat vijventwintig jaar geleden had verteld, in ons woonkamertje in een Capelse flat, met de kast met potjes waarin werd gespaard voor de vaste lasten en de onverwachte uitgaven, hadden we misschien niet durven geloven. Maar het is voor ons gelukt. We hebben het achter ons gelaten. Zelfs zozeer, dat ik nog maar een paar weken geleden dacht het allemaal wel te weten en weinig van zo’n ‘weekje skeer’ te kunnen leren. Met m’n polo van zestig euro. Ja, voor ons is het gelukt. Nu voor de rest nog. 

Categorieën
Essays

Laten we in Team Roffa eerlijk zijn

Dit opiniestuk is oorspronkelijk op zaterdag 16 maart in NRC Handelsblad gepubliceerd

‘Doe ‘s lief’. Zou het lukken, donderdag, als we in de meest gepolariseerde gemeenteraad van het land spreken over het integratie- en samenlevingsbeleid? De kans is klein. ‘Doe zelf‘s lief’, eerder. Bijna dertig jaar nadat Bolkestein de stilte doorbrak over de risico’s van een gebrek aan betekenisvol integratiebeleid hebben we een samenleving en een maatschappij die te vaak bepaald niet het beste in ons naar boven halen. Inmiddels voelt vrijwel iedereen zich in enige mate in zijn identiteit bedreigd of miskend, voelen velen zich vergeten en verlaten, voelen anderen zich achtergesteld en systematisch gediscrimineerd, en moet het instituut voor publieksopvoeding, SIRE, ons dus vertellen toch weer eens lief tegen elkaar te doen. Dat komt natuurlijk niet alleen, maar zeker grotendeels door hoe is omgegaan met onze sneltoenemende diversiteit.

Want laten we eerlijk zijn: we hebben te maken met de erfenis van een generatie politici van wie een deel de problemen misbruikte om verkiezingen te winnen, en dus zijn eigen achterban naar de mond praatte, en van wie een ander deel druk was de economie weer op de rails te krijgen, en dus om geen gedoe te hebben óók zijn achterban naar de mond praatte. Dat er in de klachten of het standpunt van de ander weleens iets legitiems kon zitten, is zo door veel politici lang deskundig genegeerd en is mensen lang niet verteld. Dat is de erfenis van jarenlange politiek over diversiteit: echte problemen, halve waarheden, ongedragen oplossingen. 

Als nieuwe generatie kunnen wij zelf bepalen of we die erfenis aanvaarden. We kúnnen het ook níet doen. Omdat we ons tegen de gewoonte in realiseren dat als je met zoveel mensen op zo’n klein stukje aarde woont, je noodgedwongen tot hetzelfde team behoort. In ons team, dat z’n welvaart moet verdienen in een steeds competitievere wereld, hebben we van iedereen het beste nodig. Dat we dat ook van iedereen krijgen is een gedeelde verantwoordelijkheid. 

Om te beginnen: discriminatie. Het kan wel zijn dat je ondanks discriminatie burgemeester kunt worden, maar iedere keer dat een Rotterdammer minder presteert dan wat hij in zich heeft door discriminatie, is dat een verlies voor het hele team. De handhaving van de wet moet beter, maar de overheid kan het niet alleen. We hebben ook een gedeelde verantwoordelijkheid om onszelf en elkaar te corrigeren als dat nodig is. In ons team hoort wat je presteert, altijd te gaan boven wie je bent of waar je vandaan komt. Laat naast linkse, ook rechtse politici daar zonder meel in de mond over praten en in ernst helpen deze norm te stellen en af te dwingen.

Dat werkt wel beide kanten op. Een deel van de Rotterdammers die menen te worden gediscrimineerd, is gewoon een minder goede kandidaat dan tegen wie ze het opnemen. De beste discriminatieaanpak ter wereld gaat hen dus niet helpen. Laat naast rechtse ook linkse politici daar eerlijk over zijn. Alleen wie goed is aangepast op de omstandigheden, is succesvol. Dat is geen onrecht. Niemand wordt als moderne Nederlander geboren, met alle kennis, vaardigheden en ‘soft skills’ die daarbij horen, zoals netwerken en kantoorpolitiek. Voor iedereen is het hard werken om dat te worden en van iedereen vergt dat dat je soms een deel van jezelf thuis laat. Deze competitie dwingt ons het beste uit onszelf te halen en maakt ons allemaal sterker. 

Dat laat onverlet dat het voor mensen uit families die hier al vele generaties leven gemakkelijker is dan voor wie hier relatief nieuw is. Dat er flink geld wordt uitgetrokken voor extra lesuren om kinderen met een achterstand erbij te trekken, is in het belang van het hele team. Het zou daarnaast heel goed zijn als meer Rotterdammers die succesvol zijn in de maatschappij hun kennis en ervaring beschikbaar stellen, bijvoorbeeld in een mentorprogramma. Maar dat alleen is niet genoeg. Zo is nog steeds voor slechts de helft van de Turkse en Marokkaanse ouders het Nederlands thuis de voertaal.[1]Dat zijn bewuste keuzes van volwassen mensen. Door die keuzes bouwen onze jonge teamgenootjes achterstanden op die ze nauwelijks meer zullen inhalen en het maakt de kans groter dat ze sociaal segregeren, waardoor zowel zijzelf als de rest van het team verder worden benadeeld. Daar moeten we ouders verantwoordelijk voor houden. Het zou helpen als dat niet alleen van rechtse, maar ook van linkse politici komt. 

Zelfverklaarde voorstanders van diversiteit kun je vaak horen zeggen wat een verrijking het is. Ik denk ook dat het dat kan zijn, als we bereid zijn te leren van wat superdiverse teams in bedrijfsleven en sport succesvol maakt. Eén ding delen ze allemaal: ze zijn eerlijk naar elkaar èn naar zichzelf over wat er misgaat en beter moet, en daar werken ze vervolgens compromisloos aan. Laten we daar in Team Roffa eens mee beginnen. 


[1]Sociaal Cultureel Planbureau (2016), Integratie in zicht, p.73, https://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2016/Integratie_in_zicht

Categorieën
Essays

Een jaar debat over diversiteit

Op het valse populisme van Wilders en Baudet wordt terecht al lange tijd een felle lamp geschenen. Ze maken misbruik van onvrede van mensen voor zondebokpolitiek die onze samenleving en ons land ondermijnt. Het is, nu aan het eind van 2018, hoogtijd dat we dit óók doen bij de valse profeten op links, die evenzeer misbruik maken van onvrede van mensen om de samenleving op te delen in een wij en een zij, en meer kapot maken dan ons lief is. 

Het lijkt alweer een eeuwigheid geleden, maar begin dit jaar stond ik op het podium van een Rotterdamse mbo-school om met collega-kandidaatraadsleden en jongeren van de school te debatteren over onze stad. Na afloop schoot een jongedame me aan. Ze was het de volle anderhalf uur die het debat duurde met me oneens geweest en vertelde me, met de niet te miskennen voldane ondeugendheid die hoort bij een kleine maar dappere daad van verzet, dat in haar klas niemand de politie vertrouwt. Want, zo wierp ze me monter voor te voeten, ze hebben allemaal echt wel de filmpjes gezien van politiegeweld tegen zwarte mensen.

Dat deze ideeën goed blijven plakken en zich snel verspreiden is niet gek, want ze bieden een simpele verklaring voor het feit dat sommigen welvarender zijn dan anderen, die de schuld bovendien bij een ander legt. Dat helpt niet, maar het ruimt wel lekker op. 

Bovendien is het in toenemende mate een favoriete verhaallijn voor nogal wat politici en activisten, die onderdeel zijn van of zich verwant voelen aan de social justice warriors uit de Verenigde Staten. Wat zij in Nederland voor het gemak of uit onbezonnenheid vergeten, is dat de feiten over welvaartsverschillen, over kansengelijkheid, over politiegeweld en over racisme hier 180 graden anders liggen dan daar. 
Dat bleek ook tijdens het debat, waar het multiculturele publiek door enkele andere politici werd verteld dat VIGOR-controles (ook bekend als ‘patsercontroles’), waarmee criminelen worden aangepakt die pronken met hun illegaal verkregen goederen, discriminerend zijn en gericht zijn tegen mensen zoals zij. Hiermee perverteren ze het jonge publiek in één moeite op drie manieren. 

Allereerst gaan ze deze patsercontroles als onrechtvaardig zien, terwijl als iemand er uiteindelijk van profiteert wanneer criminelen van straat worden gehaald die jongeren het verkeerde pad op verleiden, juist zij het zijn. Ten tweede wordt een gevoel van verbondenheid opgeroepen tussen het jonge publiek en de criminelen tegen wie de controles gericht zijn, want hen wordt verteld dat ze tot dezelfde groep behoren, namelijk de slachtoffers van het systeem. En ten derde wordt en passant de indruk gewekt dat bij de politie aan de lopende band wordt gediscrimineerd, terwijl daar geen enkel bewijs voor is. 

Kunnen vertrouwen op de integriteit van de politie is wel een voorwaarde om ontspannen in onze maatschappij te kunnen leven. Maar bovenal wordt zo elke keer opnieuw een dreun gegeven op de geïmporteerde wig die onze samenleving wil opdelen in wit en zwart, onderdrukkers en onderdrukten. Het kan uit cynisme zijn of uit onbezonnenheid, maar op het altaar van de politieke populariteitsstrijd sneuvelt zo veel dat het beschermen waard is.

Elke keer weer krijgt de samenleving een dreun als die wordt opgedeeld in wit en zwart, onderdrukkers en onderdrukten. De herinnering hieraan stond me scherp voor de geest tijdens de laatste vergadering van de gemeenteraad van dit jaar. Wethouder Wijbenga moest op het matje komen voor een onhandige uitspraak in de krant. Hij had onder meer gezegd dat de collega’s van Denk hem een racist vinden en zij vonden dat op hun beurt een abjecte leugen. Waar hadden zij dat dan let-ter-lijk gezegd?, wilden ze verbeten van hem weten. 

Letterlijk ‘u bent een racist’ hadden ze, tijdens het Zwarte Pietendebat waar het natuurlijk over gaat, inderdaad ook niet gezegd. Ze kijken wel uit. Maar het gevoel van Wijbenga dat ze hem een racist vinden, kun je hem niet euvel duiden. Ze hadden immers uitgebreid en met grote stelligheid betoogd dat Zwarte Piet racistisch is en dat het bevieren van Zwarte Piet een racistische traditie is. Maar wacht eens, als je mijn traditie waar ik zo van hou racistisch vindt, hoe kun je mij dat dan niet vinden? Dat is toch een logische gevolgtrekking? 

En zelfs als je dan toch iets met hen zou willen meebewegen, dan blijft staan dat juist gekozen politici, die hoog van de toren blazen over verbinding, zich moeten realiseren dat zo’n semantisch onderscheid dat in de eigen schijnbaar ivoren toren nog net te volgen is, helemaal nergens op slaat als het in de samenleving neerdaalt. Dus ook niet bij de wethouder of bij mij. Daar is de boodschap helder: u vindt mij een racist, punt uit. Zeker in de context van het bredere maatschappelijke debat erover. Anderen zijn afgelopen maanden immers nog een stuk verder gegaan en hebben Zwarte Piet neergezet als bewijs van een diepgeworteld institutioneel racisme, helemaal in lijn met de ideeënleer van Social Justice Warriors.

Pikant is dat hiermee juist de grootste bewierrokers van de diversiteit en het multiculturalisme, waarvan toch de essentie is dat verschillende perspectieven op voet van gelijkwaardigheid naast elkaar moeten kunnen bestaan, op deze manier één perspectief, het hunne, verabsoluteren. 

Opnieuw is onduidelijk of dit voortkomt uit cynisme of uit onbezonnenheid, maar zijn de gevolgen fors. Want bij heel veel Nederlanders groeit de verontwaardiging over dit zware verwijt, neemt de zin om zich eens in de ander te verdiepen af, en rijst de vraag of zwarte mensen in hun omgeving hen nu eigenlijk óók een racist vinden, met een verkramping in de omgang als gevolg. 

En omgekeerd zullen veel zwarte mensen zich afvragen of het klopt dat Zwarte Piet racistisch is en of zoveel blanke Nederlanders hen inderdaad minderwaardig vinden. Bovenal wordt huidskleur zo opeens weer heel belangrijk, waar het dat in de beleving van velen lange tijd juist steeds minder was. Terwijl Zwarte Piet, althans bij de officiële intocht, nota bene al lang en breed wordt uitgefaseerd en volgend jaar helemaal nauwelijks meer bestaat! 

De vraag is dan terecht waarom deze ideeën er toch in gaan als klokspijs? Ik ben er hoe langer hoe meer van overtuigd dat het ten diepste gaat over ongelijkheid. Of beter gezegd: over hoe we over ongelijkheid denken en ermee omgaan. Wij leven zoals u weet in een liberale democratie, met een kapitalistische economie. De essentie daarvan is dat mensen in grote mate vrij zijn om te leven zoals ze willen. Hoe goed je je best doet op school, wat voor werk je doet, hoeveel je werkt, wat je in je vrije tijd doet, hoeveel vrije tijd je jezelf gunt, met welke mensen je omgaat, hoezeer je je aanpast aan mensen om je heen, of je het aandurft een bedrijf te starten, of je verstandig met je geld omgaat, of je heel zuinig doet en spaart om een huis te kopen of juist liever blijft huren, hoe goed je je tijd gebruikt, hoe gezond en fit je jezelf houdt, hoe je je kinderen opvoedt, je bent er allemaal vrij in.

Die vrijheid koesteren we allemaal zeer. Ik ken geen Nederlander die ook maar een greintje vrijheid, op welke van deze punten dan ook, zou willen inleveren. Maar nu komt het: deze vrijheid heeft wel als onvermijdelijk gevolg dat de levens van mensen er heel verschillend uit gaan zien, met grote verschillen in kwaliteit van leven en welvaart. Zeker, omdat je als kind de achterstand of de voorsprong van je ouders met je meekrijgt. Het bouwt dus op. Bovendien zien we dankzij het internet en sociale media meer dan ooit de levens van anderen, en zijn er inmiddels enkele generaties Nederlanders opgevoed met het idee vooral rechten en niet zoveel plichten te hebben. En dan begint de schoen te wringen. 

Mensen zijn ontevreden met waar hun leven in vergelijking met anderen achterblijft en op dat moment komt er een politicus of activist langs die zegt: ”Je hebt helemaal gelijk dat je zo boos bent, jij hebt ook recht op die welvaart, maar je wordt gediscrimineerd, ze onderdrukken je, en het is nog veel erger dan je denkt, want kijk maar eens naar de patsercontrole en Zwarte Piet  . . . . ” 

En dan zegt een politicus of activist ineens: ‘Je hebt helemaal gelijk dat je zo boos bent, jij hebt óók recht op die welvaart, maar je wordt gediscrimineerd, ze onderdrukken je, en het is nog veel erger dan je denkt, want kijk maar eens naar de patsercontrole in Rotterdam en landelijk naar het bestaan van Zwarte Piet.’ 

Zo wordt nu van volstrekt gerechtvaardigde ongelijkheid, die namelijk onlosmakelijk bij onze vrijheid hoort, onrecht gemaakt. Onrecht dat door de social justice warriors en hun verwanten uitgedrukt wordt als de systematische onderdrukking van de ene groep door een andere. 

Ten overvloede zeg ik daar gelijk bij: nee, uit helemaal niets blijkt dat verschillen in welvaart in Nederland ook maar enige causale relatie hebben met huidskleur of afkomst. Uit helemaal niets blijkt dat er daadwerkelijk sprake zou zijn van een systematische onderdrukking van groepen. Er is veel meer reden om aan te nemen dat de verschillen tussen autochtone Nederlanders onderling minstens zo groot zijn of zelfs nog groter dan tussen de groep autochtone Nederlanders als geheel en andere groepen. 

Als je naar afkomst zou kijken, geldt waarschijnlijk dat de verschillen binnen groepen in alle gevallen groter zijn dan de verschillen tussen groepen. En waar er al verschillen tussen groepen zijn, is er geen enkel bewijs voor dat die worden veroorzaakt door stelselmatige discriminatie. 

Begrijpelijke onvrede over ongelijkheid wordt zo gekanaliseerd richting boosheid over onrecht en op onze Westerse maatschappij, terwijl die onvrede juist de motor van de eigen vooruitgang zou kunnen en moeten zijn. Juist die onvrede levert de motivatie op om het vele en harde werk te doen dat het van iederéén vergt, ongeacht je afkomst. Om de concurrentie met anderen te winnen, ongeacht je afkomst. En jezelf op de maatschappelijke ladder omhoog te vechten, ongeacht je afkomst. 

Maar jongeren die ontevreden zijn en vooruit willen, krijgen nu te vaak die peptalk niet te horen. Die krijgen te vaak niet te horen dat als er ooit ergens een plek en een tijd was waarin iedereen alle middelen krijgt om z’n dromen na te jagen, dat dat wel het Nederland van vandaag is. Die krijgen te vaak niet te horen dat je, net zoals ik vroeger, bij elke tegenslag eerst naar jezelf moet kijken en dat er – zelfs als die tegenslag echt helemaal aan een ander ligt, wat bijna nooit zo is – er altijd voor jezelf een belangrijke les in zit. 

Nee, die horen nu dat ze worden gediscrimineerd, dat het zo moeilijk voor ze zal zijn dat ze zich de moeite van de poging bijna eigenlijk wel kunnen getroosten. Onder het mom van opkomen voor de zwakken of de onderdrukten, uit cynisme of uit onbezonnenheid, wordt zo het maatschappijmodel dat ons zoveel welvaart brengt steeds verder ondermijnd. 

Als dit op zichzelf niet belangrijk genoeg is, kijk dan eens uit het raam en zie wat er in de wereld aan het gebeuren is, en weet: we worden aan alle kanten bij- en ingehaald en als we niet uitkijken zijn we over twintig jaar definitief veranderd van speler in speelbal. Het Westen verbrokkelt, opkomende economieën groeien als kool, China is al bijna het machtigste land van allemaal. Als teken aan de wand schijnen de honours trajecten op onze universiteiten al vol te zitten met lui die hier kennis komen halen om elders in te zetten. Nederlanders zie je er naar verluidt nauwelijks meer, want die zijn onvoldoende gemotiveerd. 

En ondertussen liggen wij hier binnen vooral met elkaar overhoop, over goeddeels geïmporteerde, enorm opgeblazen of zelf compleet verzonnen problemen, en wordt een groot deel van de samenleving wijsgemaakt, dat ze door de rest als tweederangsburger worden gezien en dat hard werken waarschijnlijk geen zin heeft. Juist op het moment dat we z’n allen op z’n sterkst en meest eensgezind zouden moeten zijn om het tij nog te keren. Juist op het moment dat iedereen zijn afkeer van ongelijkheid zou moeten kanaliseren richting werklust, optimisme en vooruitgangsdrift. 

Is dat handig? Nee, dat is niet handig. Dat is spelen met vuur. 

Ik vraag het iedereen netjes: zullen we dit komend jaar anders doen?