Categorieën
Gemeenteraad

Spreektekst (zoveelste) debat over Zwarte Piet

Voorzitter,

Het was zaterdag een feestelijke dag. Overal in Nederland werden de Sint en Pieten feestelijk onthaald en honderdduizenden kinderen beleefden een van de leukste dagen van hun jaar. Evenzoveel vaders, moeders, opa’s en oma’s genoten met ze mee. Precies zoals het hoort. 

Op veel plekken was Piet een beetje zwart. En op andere plekken was hij helemáál zwart. Ik denk dat maar weinig kinderen geïnteresseerd waren in het verschil. 

Maar toch doet dat verschil ertoe. En daarover zouden we elkaar wat minder moeten toeschreeuwen, en wat meer met elkaar moeten praten. Dat wordt bijna onmogelijk gemaakt door twee extremistische groepen in onze samenleving. De ene ziet de kleur van Piet als de laatste strohalm van een nationale identiteit die in razend tempo in verval is. En de andere ziet er de bevestiging in dat dit land één grote racistische poel van verderf is. Ze hebben allebei geen gelijk. Ze maken allebei de kleur van Piet veel betekenisvoller dan die is.

De kleur van Piet is persoonlijk. En wát de kleur van Piet is, hoort het resultaat te zijn van gesprekken tussen mensen. Dat maakt het zo belangrijk dat de kleur van Piet geen overheidsbesluit is, genomen onder druk van extreem activisme. In plaats daarvan moet de overheid juist ieders vrijheid beschermen om zèlf invulling te geven aan de prachtige Nederlandse Sinterklaastraditie, en als dat nodig is, in rust met elkaar over een ontwikkeling ervan te praten. 

In overeenstemming met dat uitgangspunt is de kleur van de Piet bij de stedelijke intocht bij SNIC belegd. Het artikel in NRC van afgelopen vrijdag riep de vraag op of er niet toch, ondanks die duidelijk afspraak, sturing vanuit het stadsbestuur is geweest. Mijn fractie vindt dat, als het klopt, een heel groot probleem. Daarom wil ik van de wethouder weten:

  • Klopt het dat er door ambtenaren druk is gezet op SNIC om de laatste Zwarte Pieten al dit jaar in Spanje achter te laten?
  • Klopt het dat hij daar ook zelf op heeft aangestuurd? 
  • Wat was nu de aard van dat gesprek? Kwam SNIC daar om steun vragen voor een zelfgenomen besluit, zoals dat eerder werd gecommuniceerd, of heeft de wethouder dat besluit mèt of zelfs vóór hen genomen? 

Voorzitter,

Graag glasheldere antwoorden daarop van de wethouder. 

Dan nog een andere, gerelateerde kwestie. Het is duidelijk dat de kleur van Piet de gemoederen flink doet oplopen in de samenleving, en zelfs tot gedrag kan leiden dat de grenzen flink overschrijdt. Gelukkig valt dat tot nu toe dit jaar in Rotterdam nog mee. Om dat zo te houden, moet iedereen wat zelfbeheersing aan de dag leggen. 

Ik vind het daarom binnen alle peil, en eerlijk gezegd ronduit schandalig, dat de Amsterdamse politieke partij Bij1 Rotterdammers heeft opgeroepen om Zwarte Pieten op straat, in winkelcentra of bij sportclubs te confronteren en foto’s van ze te maken, om die vervolgens aan een digitale schandpaal te nagelen. Dat soort opruiïng, dat soort pogingen tot intimidatie, is het werk van politieke pyromanen die kennelijk op escalatie úit zijn. Die kunnen we hier missen als kiespijn. 

Dit soort intimidatie-activisme hoort niet in een beschaafde, ontwikkelde democratie. En het helpt niet. Het gaat uit van het idee dat dit land een grote racistische poel van verderf is, en dat daartegen alle middelen geoorloofd zijn. Maar dat ís dit land niet. Wij zijn verenigd tégen racisme, waar dat zich voor doet. Dat heeft ons land laten zien na de schandelige behandeling van Mendes Moreira. En dat laten we in deze raad bijna elke week zien, van DENK tot VVD. Kap met tegenstellingen opblazen, en zíe al de overeenkomsten. Kap met intimideren, en práát. 

Voorzitter, wat kunnen Rotterdammers doen als ze met dit soort gedrag worden geconfronteerd. Staat de wethouder ervoor garant dat Rotterdammers die in vrijheid invulling geven aan de Sinterklaastraditie áltijd op de bescherming van de overheid kunnen rekenen? 

Dankuwel. 

Categorieën
Gemeenteraad

Spreektekst in debat over afvalligheid

Voorzitter,

Vrijheid van religie. Nederland is er groot mee geworden. Letterlijk. Het was de godsdienstvrijheid die in de late 16e eeuw vele tienduizenden Vlamingen naar de zeven provinciën lokte, de Gouden Eeuw op gang bracht, en van ons land een wereldwijk maakte. Sindsdien hebben we in ons land een stevige traditie van vrijheid van geweten, van religie, en van meningsuiting. De identiteit van ons land is al eeuwenlang dat hier ieder individu de vrijheid heeft om uitdrukking te geven aan zijn eigen individuele identiteit, en dus te geloven waarin hij wil. Ook als dat niks is.

Althans: van de overheid hebben we die vrijheid sindsdien altijd gekregen. Om ook van elkáár die vrijheid te krijgen, heeft er heel wat meer water door de Maas gemoeten. Vooral bínnen gemeenschappen heeft dit heel lang erg lastig gelegen. De generatie van mijn ouders heeft dat nog aan den lijve ondervonden. Nog maar kort geleden wist iedereen in Nederland: ‘twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen’. Wie trouwde met iemand van een ander geloof, hoefde in veel families niet meer op de koffie te komen. En wie helemaal ‘van zijn geloof viel’, nog zo’n mooie uitdrukking, die werd in de dorpen met de nek aangekeken en botweg uitgesloten. Deze strijd is na eeuwen nu grotendeels gestreden, maar we zijn er nog niet helemaal. Nog steeds leggen mensen elkaar met allerlei sociaal geweld geloof op. 

Dat is zeer actueel. Twee dagen geleden zagen we hoe in Ruinerwold kinderen jarenlang in een kelder gevangen werden gehouden, schijnbaar als gevolg van een extreem geloof. En we hebben ook allemaal nog de beelden op het netvlies van de radicale indoctrinatie die op sommige religieuze schooltjes plaatsvindt – ook in Rotterdam. Van jongs af aan krijgen kinderen aangeleerd dat er in feite niets ergers is dan ongelovige te zijn, en afvallige zijn is zo mogelijk nog erger. En zelfs als je er simpelweg blijk van geeft om iets mínder te geloven, dan is dat reden om de banden te breken. Uit verschillende gemeenschappen zijn er dan ook genoeg verhalen van mensen die te maken hebben gekregen met intimidatie of wraak. 

Het is belangrijk dat we die mensen helpen. Wie ervoor kiest om anders te geloven of niet meer te geloven, die maakt gebruik van een fundamentele Nederlandse vrijheid, en die moet daarbij op de volle steun van de samenleving kunnen rekenen. 

Voorzitter, daarom een aantal vragen aan het College.

  1. Wat weten wij van de omvang van het probleem van uitsluiting, intimidatie van en wraak tegen afvalligen in onze samenleving?
  2. Hoeveel aangiftes of andere politieregistraties worden daar jaarlijks van gedaan?
  3. Op wat voor hulp en ondersteuning kunnen slachtoffers daarbij rekenen? Is dat in de ogen van het College voldoende?
  4. Op welke manier gaan we preventief te werk, door duidelijk te communiceren dat afvalligheid in Nederland ieders recht is? Oftewel, op welke manier wordt die norm gesteld? 
  5. Op welke manier maakt het College dit bespreekbaar in gemeenschappen waarin het een taboe is? Ziet het College het als zijn taak om dat te doen?
  6. En ten slotte, hoe wordt op Rotterdamse scholen met dit thema omgegaan? 

Categorieën
Gemeenteraad

Spreektekst debat n.a.v. onthullingen NRC/Nieuwsuur over salafistische scholen

Voorzitter, dank u wel 

Het is wat de VVD betreft simpel. 

Mag je dit een rotland vinden? Ja dat mag je.

Mag je bekrompen ideeën hebben over homoseksualiteit? Dat mag ook.

Mag je een traditionele rolverdeling willen binnen je huwelijk? Zeker.  

Mag je ‘gewoon vroom’ willen leven? Ja dat mag ook

Mag je zoveel mogelijk willen leven zoals een groepje dat in het Midden-Oosten deed zo’n 1400 jaar geleden? Ja, het lijkt mij erg onpraktisch, maar dat mag je ook.

In Nederland heb je die vrijheid. En je hebt die vrijheid onder slechts één voorwaarde: dat je de vrijheid om ongestoord je eigen pad te kiezen ook aan anderen geeft. 

Vrijheden is er niet om op te eisen, uit te kauwen en over een ander heen te spugen. Vrijheid is er alleen voor wie die vrijheid netjes doorgeeft. Met twee handen en een glimlach.  

Dus wat niet mag, is kleine kinderen aanleren dat homoseksualiteit eigenlijk gestraft hoort te worden met de dood. 

Of kleine kinderen leren dat ze niet met andersgelovigen, minder-gelovigen of niet-gelovigen horen om te gaan. Dat mag niet. 

Of kleine kinderen de zichzelf vervullende verwachting aanleren dat de buitenwereld bedreigend voor ze is, en vijandig naar ze is, en dat hier geen plek voor ze is. Dat mag niet. 

Het interesseert me niet onder welke vlag zoiets gebeurt, of dat nou een religie is, een ideologie, of wat dan ook. Dat maakt het niet erger dan het is. En dat maakt het ook zeker niet acceptabeler dan het is. Het kale, naakte feit is dat jonge, beloftevolle en weerloze kinderen een wereldbeeld vol angst, afkeer en haat door de strot wordt geduwd. Het is radicale indoctrinatie, die pervers genoeg plaatsvindt met een beroep op de vrijheid. Vrijheid opeisen om daarmee de vrijheid aan anderen te ontnemen. Dat mag niet. Daar is geen enkele vrijheid voor bedoeld.  

Voorzitter, het pijnlijke is dat wij het hier in april van dit jaar en zelfs in januari van vorig jaar al over eens leken te zijn. Als kwetsbare kinderen in hun ontwikkeling worden gehinderd, zei de burgemeester in april en vorig jaar, dan ja, dan moet de gemeente daartegen optreden. Ten allerminste heeft de gemeente dan de taak om met de ouders in gesprek te gaan en hen indringend te vragen of zij zich realiseren wat ze aanrichten. Maar, verzekerde hij ons, er zijn geen aanwijzingen dat dit in Rotterdam nodig is. 

Voorzitter, ik heb daarom achttien vragen aan de burgemeester:

  1. Allereerst: heeft u de bevindingen van NRC en Nieuwsuur inmiddels kunnen verifiëren?
  2. Vindt hij dat het type informeel salafistisch onderwijs dat NRC en Nieuwsuur hebben geopenbaard kwetsbare kinderen in hun ontwikkeling hindert? Of valt dit wat hem betreft onder “onschuldig onderwijs in orthodoxe opvattingen”, om woorden te gebruiken die hij in april gebruikte? Als hij dat vindt, hoe verhouden deze “orthodoxe opvattingen” zich dan tot de burgerschapsdoelen die van links tot rechts worden omarmd? 
  3. Is hij het met de VVD eens dat hier sprake is van hoogst onwenselijke radicale indoctrinatie die beschadigend is voor de kinderen in kwestie en de democratie en onze open samenleving ondermijnt? 
  4. Hoe kan het dat de gemeente niet wist dat we in onze stad wel degelijk twee moskeescholen hebben waar dit soort radicale indoctrinatie plaatsvindt? 
  5. Wat is de kwaliteit van de informatiepositie van onze gemeente, ondanks de ferme zelfverzekerde woorden die daarover bij herhaling zijn uitgesproken, als we dit niet wisten? Hoe kan het dat ons netwerk van sleutelfiguren dit heeft gemist? Of als ze het wel hebben wel opgemerkt, niet hebben gemeld? 
  6. Hoe kijkt het College nu terug op de nogal passieve grondhouding die spreekt uit de Collegebrief over informeel onderwijs, die we naar aanleiding van de bespreking in april hebben ontvangen, waarin met zoveel woorden staat dat we nu eenmaal geen goed overzicht van het informeel onderwijs hebben en dat we het verkrijgen daarvan maar aan de Rijksoverheid overlaten? 
  7. Hoe verhoudt dat zich tot wat de verantwoordelijk wethouder in april tijdens het debat liet weten, namelijk dat ieder jaar de veiligheid, het pedagogisch klimaat, en de bevordering van burgerschap in jeugdverblijven zoals de moskee-internaten wordt onderzocht? Hoe gebeurt zo’n onderzoek? 
  8. Waarom heeft de -terechte- obsessieve focus op gelijke kansen voor alle kinderen en de terechte houding dat we daarbij verder gaan dan wettelijk noodzakelijk, mogelijk niet gegolden voor kinderen op religieuze instellingen? Waarom wist de gemeente het niet, of wilde de gemeente het niet weten, of was de gemeente angstig om bij vermoedens door te pakken, of werd het – God verhoede dat dat is wat er aan de hand is – onder het tapijt geschoven omdat het bestuurlijk, politiek of maatschappelijk gevoelig ligt? 
  9. Kan de burgemeester ons verzekeren dat kwesties als deze nooit onder het tapijt worden geschoven, uit bezorgdheid over de mogelijk polariserende uitwerking ervan?
  10. Hoe kan het dat twee journalisten aan het daglicht hebben kunnen brengen wat al onze diensten, ambtenaren, informanten en inspecteurs blijkbaar is ontgaan? 

Voorzitter, tot zover de terugblik. Nu vooruit. 

Veel van wat er moet gebeuren ligt op het bord van de wetgever in Den Haag. 

  1. Allereerst moet buitenlandse financiering eindelijk worden gestopt. Dat staat ook in het regeerakkoord, maar het gebeurt maar niet. Is de burgemeester bereid om samen met de andere getroffen gemeenten op te trekken en bij het Rijk in niet mis te verstane woorden duidelijk te maken wat de maatschappelijke gevolgen zijn van haar gedraal en getreuzel? 
  2. De Onderwijsinspectie moet worden versterkt en een ruimer mandaat krijgen. Is hij bereid ook daarbij op spoed aan te dringen? 
  3. En ja, ik verwacht er geen actie op van het College, maar het is essentieel dat de Kamer op voorstel van mijn gewaardeerde collega Dijkhoff opnieuw werk maakt van een handhaafbaar verbod op organisaties die onder het mom van godsdienstvrijheid de democratie ondermijnen.

Maar voorzitter, we kunnen op dat alles niet gaan zitten wachten. We kunnen ook zelf al wel wat doen. 

  1. Allereerst moet de weerzin tegen deze radicale indoctrinatie die breed binnen de Islamitische gemeenschap zelf leeft worden gemobiliseerd. Is de burgemeester bereid om samen met Islamitische organisaties al het mogelijke te doen om de redelijke krachten te versterken en hen middelen te geven om in actie te komen tegen radicale indoctrinatie? 
  2. Is hij bereid om wijkagenten, BOA’s, wijkteams, scholen en anderen in de haarvaten van de samenleving beter toerusten om radicale indoctrinatie te signaleren en ertegen in actie te komen?
  3. Is hij bereid om met politie, inlichtingendiensten, FIOD, Bouw- en Woningtoezicht een actief verstoringsbeleid te voeren richting instellingen waar radicale indoctrinatie plaatsvindt? 
  4. Is hij bereid om met een afvaardiging van deze raad een besloten expertsessie te organiseren om verdere stappen uit te denken?
  5. En is hij bereid om de grenzen van de wet op te zoeken, bijvoorbeeld die van de Jeugdwet en de Wet herziening Kinderbeschermingsmaatregelen, om kinderen tegen radicale indoctrinatie te beschermen? 

Voorzitter, tot zover mijn vragen.

Ter afronding wil ik via u iets zeggen tegen de vele mensen die de berichten en de uitzending vorige week hebben gezien en zich boos hebben gemaakt, en die zich zorgen maken. Net als ik zelf. Maar wat wij ons moeten realiseren is dat wij niet echt wat te vrezen hebben. Onze liefde voor vrijheid, voor elkaar, voor onze manier van leven, is onwankelbaar. Daar kunnen nog geen miljoen fundamentalisten iets aan veranderen. Wij vormen met z’n allen een stralende berg, waar vanuit de hele wereld begerig naar wordt gekeken. En die berg wijkt geen millimeter, voor niemand. Als er iets is dat we mogen voelen, dan is dat zelfvertrouwen, en trots. En in dat gevoel delen inmiddels ook ontzettend veel Hollandse moslims, die net zo van deze stad en dit land houden als ieder ander. Laten we hen echt omarmen. 

En voor de berg, helemaal beneden in de modder, daar zitten de extremisten, die elke dag vol angst en gruwel naar die stralende berg kijken, en zichzelf een grimmig en uitzichtloos bestaan opleggen. Ze ontzeggen zichzelf alles wat het leven hier zo mooi maakt en zullen nooit volwaardig kunnen meedoen in dit prachtige land.

Daarom zeg ik tegen de mensen waar het vandaag over gaat: Zweer de haat af. Omarm gelijkwaardigheid, en vrijheid. Dan is er ook voor jullie plek op onze berg. Maar de berg komt niet naar jullie. De berg wijkt niet. Jullie zullen naar de berg moeten komen. 

Dankuwel. 

Categorieën
Gemeenteraad

Spreektekst debat ‘acceptatie van diversiteit’

Wij hebben allemaal de wens om het samenleven in onze veelkleurige stad te verbeteren, want dat is nodig. Met z’n allen presteren we elke dag een klein wonder door deze prachtige stad draaiende te houden, maar allerlei problemen zijn helaas óók aan de orde van de dag. We zetten daarom veel tijd en geld in om die problemen aan te pakken en om, zoals ik dat zie, een beter team te worden. Het is goed om de ontwikkeling daarvan te volgen. 

Eén aspect daarvan is de acceptatie van elkaar, in al onze verscheidenheid. Die willen we vergroten. Dat is een flinke klus, die deze wethouder met ongekend enthousiasme oppakt. Hij wil alles doen wat in z’n vermogen ligt, en op of hij dat ook doet, kunnen we hem kritisch bevragen. En we kunnen er ook zelf aan bijdragen. Ik gebruik deze gelegenheid om vast nog eens mijn initiatiefvoorstel bij u te pluggen, waarmee de gedeelde identiteit die we temidden de diversiteit hebben, kunnen versterken. Maar om de wethouder met een Collegetarget ook voor het resultaat politiek verantwoordelijk te houden, gaat mijn fractie een stap te ver. Daarvoor is die mate van acceptatie van te veel factoren afhankelijk die hij niet in de hand heeft. 

We komen als volgt tot die conclusie.  

Acceptatie van verschil, zoals nodig is om samen een beter team te worden is alles behalve vanzelfsprekend. Dat blijkt al heel lang in de praktijk. En interessant is dat er in de laatste jaren ook steeds meer literatuur komt die inzicht geeft in waarom dat zo is. In waarom het voor de meeste mensen zo moeilijk is om samen te leven met mensen die in allerlei opzichten anders zijn dan jij of die anders leven dan je zelf goed vindt. 

Acceptatie van het andere wordt allereerst heel plat bepaald door het beeld dat je daarvan hebt. Dat is lastig in een tijd waarin we via online media voortdurend worden geconfronteerd met de extremen van de verschillende gemeenschappen. Het gewone, de norm, vaak veel minder choquerend, sneeuwt voortdurend onder. Terwijl vele duizenden Rotterdamse Turken deze week net als ieder ander hebben meegewerkt aan de stad, heeft het beeld dat de rest van samenleving van hen heeft helaas een flinke knauw gekregen door het schofterige gedrag van een bruiloftstoet. Dat is een maatschappelijk mechanisme dat we natuurlijk kunnen dempen, door echt persoonlijk contact te stimuleren dus mensen, maar de wethouder kan het niet opheffen. 

Wat dat ook laat zien is hoe belangrijk individueel gedrag is. Elke dag kan er een idioot iets verschrikkelijks doen en we worden weer een paar stappen achteruit geworpen.

Daarnaast wordt acceptatie ook bepaald door hoe mensen zichzelf voelen. Door hoe het met ze gaat, door hoe sterk hun eigen individuele identiteit in relatie tot collectieve identiteiten is, door hoe veilig ze zich voelen, en noem maar op. Bij wie dat allemaal snor zit, is er veel grotere bereidheid om open te staan en nieuwsgierig te zijn naar het andere. Om het andere niet als bedreiging, maar als verrijking te zien. Dit College doet in de breedte zijn stinkende best om van Rotterdam een stad te maken waarin iedereen die state of mind kan bereiken, maar daar zijn we nog lang niet. 

Én acceptatie wordt ook bepaald door de mate waarin mensen de moeite willen nemen om elkaar als individu, in plaats van als lid een groep te zien. En mensen daarvan overtuigen wordt steeds moeilijker in een tijd waarin groepsdenken en identiteitspolitiek welig tieren, waarmee mensen op basis van historische gebeurtenissen, huidskleur, sekse, seksualiteit, afkomst of geloof in groepen worden opgedeeld en tegen elkaar opgezet. Groepsdenken wordt door populisme en activisme van allerlei kanten aangemoedigd en belangrijk gemaakt, en ook dat zit de acceptatie in de weg. De wethouder kan er wat tegenin brengen, dat doet hij ook bij elke kans, maar deze maatschappelijke teneur eigenhandig bijdraaien, dat is helaas geen redelijke opdracht.

Dit allemaal betekent niet dat het onmogelijk is wat we willen, helemaal niet, maar wel dat het verduveld complex is en dat het slagen ervan helaas niet helemaal op dit Stadhuis wordt bepaald.

Wat het met andere woorden voor mijn fractie wel betekent: Collegetarget en politiek afrekenen nee, keihard aan het werk omdat het zo verdraaid belangrijk is: ja. En een vinger aan de pols houden door middel van een indicator: zeer zeker. Ten slotte, een specifieke vraag: hoe representatief is de selectie Rotterdammers die deelnemen aan de enquête? Hoe wordt gezorgd leefstijl-, vertrouwens-, en taalbarrières de resultaten niet vertekenen? 

Dankuwel. 

Categorieën
Gemeenteraad

Initiatiefvoorstel Laat de Rotterdamse vlag wapperen

Voor de een is het de liefdesbaby van de vrijheid, voor de ander de bastaard van het kosmopolitisme. Diversiteit. Listige kwestie. Wie z’n best doet, kan beide perspectieven begrijpen.

Naar welk perspectief je ook neigt, waar we het over eens kunnen zijn is dit: in onze veelkleurige samenleving zijn er mensen in letterlijk elke denkbare vorm, kleur, geur en maat, en we missen een gevoel en een besef van wat we nog met elkaar delen en wat ons nog bindt. Saamhorigheid. We missen het gevoel waardoor we weten: wij zitten ondanks al die verschillen wel in hetzelfde schuitje. Wij trekken aan dezelfde kant van het touw. Wij kunnen elkaar vertrouwen. En wij kunnen daarom geïnteresseerd zijn in elkaar, investeren in elkaar, en leren van elkaar.

In de afwezigheid van zo’n gevoel lijken verschillen groter dan ze zijn en worden ze belangrijker dan zou hoeven. In die leemte broeit en borrelt angst, intolerantie, afkeer en afwijzing van elkaar. Omdat we onszelf niet als één groep zien, zien we vanzelf verschillende groepen. En dat is een recept voor ellende. Schadelijk groepsdenken, discriminatie, en het verabsoluteren van het eigene haat liggen dan op de loer. We zien het elke dag meer.D

We kunnen dat niet hebben. Het verziekt de sfeer behoorlijk en het belemmert het mensen die naar beste kunnen en eer en geweten gewoon een fijn leven willen hebben.

Daarom: actie. Doen. Want hoe verleidelijk het ook is om ons te blijven verliezen in het venijn en de complexiteit van de materie, zó ingewikkeld is het allemaal nou ook weer niet. Er staat ons in wezen niets te doen, dat niet al eens eerder gedaan is, of waarvoor de kennis ons ontbreekt. Het is al veel vaker gelukt om mensen tot elkaar te brengen en zich met elkaar verbonden te laten voelen, ook in samenlevingen die er aanzienlijk beroerder aan toe waren dan wij nu.

Natuurlijk, een sluitende aanpak met resultaatgarantie is niet zomaar op tafel te leggen. Maar er is best een lijst acties te formuleren die in ieder geval bijdragen, die we in íeder geval zouden moeten doen. Helemaal bovenaan dat lijstje actiepunten staat dit: maak de symbolen van de gedeelde identiteit in de publieke ruimte beter zichtbaar, en vergroot zo het bewustzijn en de ervaren relevantie van die gedeelde identiteit. En die gedeelde identiteit is: onze stad en de trots die we daarvoor voelen. Rotterdam.

Hoe werkt dat? Zo. Wij mensen ontvangen en verwerken de hele dag allerlei prikkels. Bewust en onbewust sturen die hoe we ons voelen, waar we over nadenken, en zelfs wàt we denken. Sinds jaar en dag wordt daar, door wat reclame en marketing is gaan heten en wat inmiddels een megamiljardenindustrie is, gebruik van gemaakt en op ingespeeld. Laten we de tactieken die zij gebruiken eens inzetten voor de goede zaak.

Eén van die tactieken is het vergroten van ‘mentale aanwezigheid’. De wetenschap erachter is eenvoudig te begrijpen, en gaat zo. In ons brein is ontzettend veel informatie opgeslagen. Zó veel, dat je je niet voortdurend van al die informatie bewust kunt zijn, en zelfs zó veel dat je niet voortdurend al die informatie bij de hand kunt hebben. Iedereen kent wel dat gevoel dat je soms echt even in je geheugen moet ‘graven’ om bepaalde informatie naar boven te krijgen. In zo’n geval is bijvoorbeeld een vraag die aan je gesteld is, een signaal voor je brein om die informatie op te zoeken. Je kunt vaak het best rustig verder met je gesprek en na korte tijd popt het antwoord vol- automatisch bij je naar boven. De natuur is fantastisch.

Met het vergroten van ‘mentale aanwezigheid’ proberen reclamemakers en marketeers zulke signalen aan je brein te geven en zo te sturen welke informatie je, onbewust, bij de hand hebt. Manieren om dat te doen zijn adverteren op goed zichtbare reclamezuilen in de openbare ruimte, of het uitzenden van reclame met een tune die blijft hangen. Elke keer als je dat ziet of hoort, ook als je je er niet eens van bewust bent, maken je hersenen de informatie over dat merk paraat. Zo vergroten reclamemakers de kans dat je, als je bijvoorbeeld door de supermarkt loopt, kiest voor hun product. De in je brein opgeslagen informatie over hun product (zoals een herinnering of iets wat je over hebt gelezen) is immers al paraat en zal dus bij het bekijken van een schap sneller bewust bij je opkomen. En wat bekender voelt is een meer aantrekkelijke keuze. Simpel, en heel effectief. De psycholoog Daniel Kahneman heeft de Nobelprijs voor de economie gewonnen voor onderzoek waarin hij onder meer dit fenomeen aantoonde.

Op een vergelijkbare manier kunnen we mensen zich meer bewust maken van onze gedeelde identiteit, het Rotterdammerschap. We hebben daar geen reclamezuilen of advertenties voor nodig, want de stad heeft een herkenbaar elegant symbool, de vlag, die op veel logische plekken in het straatbeeld past. Het is tijd om dat te benutten.

Nee, het effect zal niet zijn dat we elkaar opeens allemaal snikkend in de armen vallen en dat alle problemen de wereld uit zijn. Maar op de lange actielijst voor beter samenleven is dit een quick win. Iets wat we in ieder geval zouden moeten doen. De kosten zijn, in brede zin, erg laag. Daar staat de opbrengst tegenover dat we er allemaal veel vaker bewust en onbewust aan herinnerd worden dat we Rotterdammer zijn. Dat draagt bij aan het (her)ontwikkelen van ons gevoel van gemeenschap, saamhorigheid, en gedeelde trots.

Een woord van erkenning en waardering, ten slotte, moet worden gericht aan de fracties van NIDA, Leefbaar Rotterdam en DENK, en aan wethouder Wijbenga. Dankzij NIDA werd de verbindende kracht tijdens de vorige raadsperiode al erkend en werd gedurende het bijzondere jaar 2015 de Rotterdamse vlag nadrukkelijker gehesen. Leefbaar Rotterdam deed in dezelfde periode een tevergeefse poging om de vlag als belangrijk symbool van verbondenheid in de Raadszaal te plaatsen, en dankzij DENK is dat onlangs eindelijk gelukt. Dankzij wethouder Wijbenga ligt er een stevige beleidsagenda om meer ontspannen samen te leven, waarin de noodzaak van verbinding en saamhorigheid ruimschoots aan bod komt. Het is nu het moment voor een volgende stap.

Het volledige voorstel (is niet heel lang hoor) kun je hier lezen.

Categorieën
Gemeenteraad

Schriftelijke vragen aan het College over excuses voor het slavernijverleden

Geacht College,

Wij hebben kennisgenomen van de oproep van de burgemeester aan de regering om ‘sorry’ te zeggen voor de slavernij. Zijn pleidooi heeft bij de Rotterdamse VVD-fractie een aantal vragen opgeroepen. 

  1. Sprak de burgemeester namens het College?
  2. Is de burgemeester van mening dat de gehele Nederlandse samenleving verantwoordelijk is of gehouden moet worden voor de aan slavernij gerelateerde activiteiten in de 16e, 17e, 18e en 19e eeuw? Zo nee, welk deel van de samenleving wel en welk niet? 
  3. Gelooft de burgemeester in het fundamentele uitgangspunt van de democratische rechtsstaat, dat individuen slechts verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor hun eigen daden? Zo ja, waarom geldt dat uitgangspunt naar zijn opvatting niet als het gaat om verantwoordelijkheid voor de slavernij?
  4. Recent is een onderzoek van Pepijn Brandon c.s. naar de economische omvang van de aan slavernij gerelateerde activiteiten gepubliceerd, waaruit blijkt dat dit, althans in de tweede helft van de 18e eeuw, ongeveer 5.2 procent van het BBP was. Heeft de burgemeester kennisgenomen van dit onderzoek? Hoe rechtvaardigt de burgemeester de stelling dat de Nederlandse samenleving als geheel verantwoordelijkheid draagt voor die activiteiten? 
  5. Is de burgemeester van mening dat fenomenen als kansenongelijkheid en arbeidsdiscriminatie een (directe) relatie hebben met de slavernij? Zo ja, hoe beoordeelt hij dan de ontwikkeling die Nederland sinds de afschaffing van de slavernij in 1863 heeft doorgemaakt, daarbij in ogenschouw houdende dat in Europees Nederland slavernij nooit was toegestaan? 
  6. Hoe beoordeelt hij in dit licht de ontwikkeling van Nederland tot grondlegger van de Universele Rechten van de Mens en voornaam internationaal voorvechter daarvan, tot grondlegger van de Europese Unie, tot voornaam ontwikkelingspartner van Afrika, tot voorvechter van internationale solidariteit in de breedste zin des woords, en tot gidsland op het gebied van sociaal-culturele ontwikkeling gericht op de gelijkwaardigheid en emancipatie van alle mensen? Is dít niet wat een ‘groot en sterk’ land doet? Voort, zo ja, kan de burgemeester een voorbeeld noemen van een land dat hierin verder is?
  7. Hoe rechtvaardigt de burgemeester, dit alles overwegende, de stelling dat Nederland nog met de donkere bladzijdes uit zijn verleden af moet rekenen? Zijn al deze daden niet veel belangrijker dan welke paar woorden ook?
  8. Is de burgemeester het met de indieners van een initiatiefvoorstel in de Amsterdamse gemeenteraad eens dat excuses voor de slavernij nodig zijn om ‘een morele norm aan de samenleving op te leggen’? Is de burgemeester het met hen eens dat het in onze samenleving nog niet de morele norm is dat slavernij, racisme en discriminatie niet kunnen? Is de burgemeester van mening dat de Nederlandse samenleving zich nog onvoldoende van de slavernij en de onderliggende morele normen heeft afgekeerd? Is de burgemeester van mening dat het slavernijverleden onvoldoende wordt erkend en betreurd?
  9. Is de burgemeester het met de VVD-fractie eens dat dergelijk activisme handelt vanuit een gitzwart beeld van de Nederlandse samenleving, dat de allerdaagse werkelijkheid, waarin mensen uit alle windstreken op voet van gelijkwaardigheid met elkaar samenleven, geen recht doet? Kan de burgemeester zich voorstellen dat dergelijke uitspraken voor veel Nederlanders voelen als een botte trap tegen de schenen? 
  10. Slavernij, als ultieme uiting van ongelijkwaardigheid en als medemenselijkheidsinfarct, is een afschuwelijk fenomeen, waar elke samenleving zich zo ver mogelijk vandaan zou moeten ontwikkelen. Kan de burgemeester het zich voorstellen dat het veel Nederlanders verontwaardigt dat juist in Nederland het slavernijverleden zo op het heden wordt geprojecteerd, terwijl Nederland in de ontwikkeling daar vandaan verder is dan nagenoeg welk ander land ook? 
  11. Is de burgemeester het voorts met de VVD-fractie eens dat het, om te komen tot een meer op gelijkwaardigheid en medemenselijkheid gebaseerde wereld, van groot belang is om te beseffen dat slavernij in de hele geschiedenis, over de hele wereld, op grote schaal is voorgekomen? Zo ja, is de burgemeester dan ook bereid om in zijn internationale contacten bij andere landen met een slavernijverleden, zoals Turkije en de Arabische Emiraten, aan te dringen op de erkenning daarvan?
  12. Is de burgemeester het met de VVD-fractie eens dat het zinvoller is om in de Nederlandse samenleving verbinding te zoeken rond de fundamentele waarde van gelijkwaardigheid en van de versterking daarvan een gezamenlijke opdracht te maken, dan ons te blijven laten verdelen door een verleden waar niemand die nu leeft persoonlijk bij betrokken was?

Ik zie uw beantwoording met belangstelling tegemoet. 

Tim Versnel

Categorieën
Gemeenteraad

Debat over AIVD-bericht radicale moslims in islamitisch onderwijs

Op donderdag 4 april spraken we in de gemeenteraad van Rotterdam over het bericht van de AIVD dat radicale moslims steeds meer grip krijgen op koranscholen en moskee-internaten. Dat is bericht is zorgelijk voor de veiligheid van ons allemaal, maar in het bijzonder voor alle hardwerkende Rotterdamse moslims, die hun kinderen uit de buurt willen houden van dat soort gevaarlijke mafkezen.

Categorieën
Gemeenteraad

Debat over integratiebeleid

Op donderdag 21 maart 2019 spraken we in de Rotterdamse gemeenteraad over het integratie- en samenlevingsbeleid. Hierboven zie je mijn inbreng namens de Rotterdamse VVD-fractie.

Ons doel is een ontspannen stad, waarin mensen in vrijheid en gelijkwaardigheid met elkaar samenleven en als team, Team Roffa, werken aan een stad om trots op te zijn. Veiligheid en het afdwingen van onze waarden staan voorop. Om gelijke kansen voor alle etnische en culturele groepen voor elkaar te krijgen is het nodig om discriminatie aan te pakken, maar dat alleen is niet genoeg. Veel Rotterdammers moeten vooral zèlf meer verantwoordelijkheid nemen. Zonder meer betrokkenheid van ouders bij het onderwijs van de kinderen, zonder thuis meer Nederlands te gaan praten, zonder je aan te passen aan wat nou eenmaal de dominante sociaal-culturele normen in Nederland zijn, en zonder de kansen die je krijgt ook echt met beide handen te pakken, is elk overheidsprogramma op voorhand kansloos.

Categorieën
Gemeenteraad

Spreektekst debat over gelijke kansen in het onderwijs

Excuus voor verwijzingen naar pagina’s in een stuk dat u niet kent, maar ik hoop dat de inhoud desondanks te volgen is.

Voorzitter,

Allereerst wil ik de wethouder complimenteren met deze nota. Ik heb ook zijn toelichting erop in de pers met veel interesse gelezen en ik kan me goed voorstellen dat zijn persoonlijke levensloop en ervaring met het onderwijssysteem hem een sterk gevoel van missie geven. Dat zie je in deze nota terug. De wethouder knalt er stevig in, met niets minder dan kansengelijkheid als zijn doel. 

Veel ambitie op het gebied van onderwijs maakt mij als liberaal enthousiast. Ondanks de steile verbeteringscurve van het Rotterdamse onderwijs, is er nog een wereld te winnen. Niet alleen zodat alle jonge Rotterdammers nog beter terecht komen, maar ook omdat wij als samenleving een steeds kleiner deel uitmaken van een steeds competitievere wereldwijde economie. In de toekomst die op de kinderen van vandaag wacht, hebben we van iedereen het beste nodig. 

Dus veel ambitie maakt mij als liberaal enthousiast, maar deze specifieke ambitie, kansengelijkheid, maakt mij ook zenuwachtig. En hij roept wat vragen bij mij op. 

Om te beginnen: Ik deel de overtuiging dat elk kind de kansen zou moeten krijgt om zich naar zijn volle potentie te ontwikkelen. En ja, wij dragen daar collectief een deel van de verantwoordelijkheid voor, met de taak om te zorgen voor zo goed mogelijk onderwijs. Maar wij weten ook dat een heel groot deel van wat uiteindelijk iemands kansen in deze maatschappij bepaalt, ligt bij de ouders. De mate van ouderbetrokkenheid blijkt de belangrijkste voorspeller van de onderwijscarrière te zijn. Wie ouders heeft die zich goed hebben aangepast op de hedendaagse manier van leven en die hun weg in de maatschappij soepel weten te vinden, heeft een grotere kans dat zelf ook te kunnen. En naast de ouders, is er dan ook nog het kind zelf, dat met zijn of haar eigen innerlijke drive een heel grote invloed heeft op de kansen die het wel of niet krijgt. 

Dus een overheid die kansengelijkheid wil afdwingen, die moet wel heel ver gaan. Mij schieten dan ook angstbeelden van kansennivellering door het hoofd. Want aandacht voor het inhalen van achterstanden is belangrijk, maar het zijn ook de voorlopers die we in deze steeds competitievere wereld juist zo hard nodig hebben. Vergeten we bij alle aandacht voor het vijfje dat een zesje moet worden, niet dat het achtje net zoveel recht heeft op hulp om van haar een negentje te maken? Is niet dat ook kansengelijkheid? 

Ook maakt de wethouder in zijn nota gewag van een tweedeling in het onderwijs, tussen kinderen van laag- en van hoogopgeleide ouders. Hoe homogeen zijn deze beide groepen nou eigenlijk? Is deze manier van denken niet een beetje misleidend, en zit het overgrote deel van de kinderen er ergens tussenin, en zijn er niet ook genoeg kinderen met heel betrokken laagopgeleide ouders of vrijwel afwezige hoogopgeleide ouders? Lopen we met zo’n vereenvoudiging niet het risico onbedoeld veel kinderen tekort te doen? Hoe zit het in de visie van de wethouder met die enorme groep ongeveer gemiddelde kinderen, van ongeveer gemiddelde ouders? Klopt het dat ik over het verhogen van ouderbetrokkenheid waar dat nodig is maar heel weinig lees, of ze nou hoog, laag, gemiddeld of niet opgeleid zijn? 

Kan de wethouder mij, samenvattend, meer gevoel geven bij wat hij onder kansengelijkheid verstaat? En kan hij mij ermee geruststellen dat hij in alle terechte aandacht die hij heeft voor met wie het nog niet goed gaat, niet vergeet ook oog te houden voor met wie het al prima gaat maar nog beter kan? 

Specifiek zou ik hem willen vragen daar zijn plan voor het verhogen van de schoolprestaties bij te betrekken, in hoofdstuk 2. Terecht wordt gesteld dat het problematisch is dat schoolprestaties zo sterk variëren. Er wordt als oplossing daarvoor gesproken over optimalisatie en spreiding. Betekent dit in verhulde termen dat we zowel de goede als de slechte scholen een beetje meer gemiddeld gaan maken? 

Voorzitter, dan ga ik even terug naar hoofdstuk 1. Bezwijken we niet voor verkeerde verleiding als we in plaats van kinderen omhoog naar de norm te helpen, de norm naar hen verlagen? Zoals wanneer we jongeren die gezakt zijn voor de HAVO, al naar het HBO laten gaan, terwijl docenten die ik spreek nu al bezorgd zijn over rijpheid en taalvaardigheid van de jongeren die ze moeten onderwijzen in toegepaste wetenschap. Wie helpen we nou echt als we dit doen? Vergroot het niet de kans op uitval, als we jongeren een stap laten maken waar ze eigenlijk nog niet klaar voor zijn? En is dit plan überhaupt realiseerbaar? En als de gemeente hier beleidsruimte heeft, helpt het dan niet veel meer om dat jaar waarin nog één HAVO-vak gehaald moet worden, in te zetten als breder rijpings- en vormingsjaar? 

Voorzitter, dan wil ik de wethouder ronduit complimenteren met de wijze waarop de werkwijze burgerschap in zijn nota is uitgewerkt. Dit is hoe mijn fractie het graag ziet. Twee vragen hierover: het element ‘kennen’ vinden wij ongelofelijk belangrijk, ook omdat ze in onze ogen voorwaardelijk zijn om aan de andere drie elementen goed invulling te kunnen. Kan de wethouder verzekeren dat dat element van kennisoverdracht ook in de praktijk ruimschoots aan bod komt? En daarnaast: uit het spraakmakende rapport Twee werelden, twee werkelijkheden bleek hoe moeilijk het soms voor leraren is om gevoelige onderwerpen bespreekbaar te maken en hoe belangrijk het is dat zij zich in die situaties ten volle gesteund voelen. Hoe zorgen we daarvoor? 

Dan ten slotte twee opmerkingen bij hoofdstuk 6, van onderwijs naar arbeidsmarkt. Mijn fractie mist hierin duidelijk een nauwere verbinding met de maritieme sector en onze haven in het bijzonder. Daarnaast hecht mijn fractie zoals u weet zeer aan het vergroten van de nadruk op digital skills is het onderwijs, vanaf de basisschool. Voor het uitwerken van de digideal wordt aangesloten bij het Rotterdam Techniek en Technologie Pact. Kan de wethouder uitleggen waarom deze koppeling verstandig is?

Ik dank u wel.