Categorieën
Gemeenteraad

Strijden tegen discriminatie is voor liberalen geen vraag, maar een opdracht

Dit was mijn spreektekst op een ledenbijeenkomst van de Rotterdamse VVD, op dinsdag 14 juli 2020.

Vandaag is het quatorze juillet. Een van de belangrijkste dagen in de Europese geschiedenis — en in de liberale traditie. De bestorming van de Bastille op 14 juli 1789 was het keerpunt van de Franse Revolutie en in de strijd voor de vrijheid en de gelijkwaardigheid van alle mensen.

Negen jaar later, op 23 april 1798, werd ook in Nederland dat principe van gelijkwaardigheid in de — eerste — democratische grondwet van ons land vastgelegd. Toen nog in artikel drie.

‘Alle Leden der Maatschappij hebben, zonder onderscheiding van geboorte, bezitting, stand, of rang, eene gelijke aanspraak op derzelver voordeelen’

Fast forward 222 jaar. 3 juni 2020. Duizenden mensen bewegen niet naar de Bastille, maar naar de Erasmusbrug. Ze bestormen hem niet, ze wandelen erheen. Ze zijn niet gewelddadig, maar overwegend rustig. Ze droegen geen wapens, maar meestal helemaal niks. Een aantal had een bord met een tekst, een enkeling een enkele microfoon.

Er is veel veranderd.

Maar de essentie van de boodschap is hetzelfde: ik voel mij niet gelijkwaardig. Ik word gediscrimineerd en voel me benadeeld. De formele en informele instituties van dit land werken in mijn nadeel. Of om het in de termen van dat grondwetsartikel uit 1798 te zeggen: Anderen kunnen aanspraak maken op meer voordelen. En ik wil verandering.

Hebben ze gelijk? En zo ja, wat is er dan in die 222 jaar misgegaan? Waarom voldoet onze samenleving nog steeds niet aan dat eeuwenoude ideaal? En wat doen wij daar als liberalen dan aan? Ik wil vanavond graag de gedachten delen die ik daar zelf sindsdien over heb ontwikkeld.

Deze discussie, over hoe we in al onze diversiteit met elkaar samenleven en met elkaar omgaan, is niet van vandaag of gisteren. Voor mij begon ‘ie op 6 mei 2002, toen Pim Fortuyn werd doodgeschoten op het Mediapark. Mijn oma was een groot fan van hem, las zijn boeken, en gaf me toen op zijn sterfdag het boek ‘De islamisering van onze cultuur’. Ik verslond het, en ben vanaf dat moment gefascineerd door de botsing van culturen in ons land en de poging om immigranten in onze samenleving te integreren.

Dat is voor mij lang een beetje een schizofrene aangelegenheid geweest. Mijn eerste vriendjes in Nederland — en ben zelf in Duitsland geboren en heb daar tot m’n vijfde gewoond- waren Nelson en Biko, twee broers uit Zuid-Afrika, en Ricardo, een Portugees met Marokkaanse ouders. Ik zat op de middelbare in de klas met jongens als Giani van de Molukken, Rateb uit Afghanistan, Mohammed uit Marokko. Feestte later met Greg en Gordon uit Suriname. Mijn eigen sociale omgeving is altijd de perfecte vrolijke multiculturele smeltkroes geweest.

Tegelijk was er de abstractie van “de ander”, waarover ik las bij Fortuyn, Scheffer, en anderen. “De ander”, die in zelfgekozen segregatie leeft, die zich onvoldoende aanpast, die gelijkwaardigheid opeist maar die zelf niet aan anderen geeft, zoals vrouwen en homo’s. Die “ander” zag ik zelden of nooit in het echt. Ik groeide op in Krimpen aan den IJssel en woonde vanaf m’n studie in het opgeruimde Noord. Daar meende ik “de ander” weleens te zien, maar met hem spreken deed ik eigenlijk nooit. Over “de ander” maakte ik me wel boos. Ik maakte me zorgen over de betekenis van zijn aanwezigheid voor onze cultuur en identiteit. Als “de ander” zich beklaagde over zijn positie en kansen in dit land, dan vond ik dat hij zelf moest veranderen.

En begrijp me niet verkeerd, ik ga nu niet betogen dat mensen zoals die ander helemaal niet bestaan. Er zijn in Nederland mensen die het volledig aan zichzelf te wijten hebben als ze de kansen in dit land niet pakken — en er zijn mensen die respect en vrijheid opeisen, maar die niet geven. Als je naar de cijfers kijkt, zijn dat er in elke bevolkingsgroep, met een marge van een procentpunt of 9 á 10, evenveel.

Maar jarenlang heb ik, onbewust, vooral “de ander” in gedachten gehad als de kwestie discriminatie voorbij kwam. Het zal wel bestaan, en dat je met een buitenlandse achternaam minder op sollicitatie mag komen is natúúrlijk verkeerd, dus we zullen het heus wat beter aanpakken, maar je kunt er ook zelf wat tegen doen door je gewoon beter aan te passen. En als je een stapje extra zet, dan kun je hier alsnog alles bereiken. En bovendien: kap nou eens met het slavernijverleden en dat gezever over de straatnamen. Veruit de meeste Nederlanders waren straatarm, ze hadden nauwelijks een idee wat er twee rivieren verderop gebeurde, laat staan aan de andere kant van de oceaan, en de VOC was toch vooral een aangelegenheid van de Amsterdamse elite van destijds. Waarom moet ik me daar nu schuldig voor voelen? Hoe maakt dat mij een racist? Hoe kan dat nou, volgens de theorie van de bekende Gloria Wekker, ertoe leiden dat ik een zogeheten “cultureel archief” in me draag met raciale superioriteitsgevoelens? En dan was het weer klaar. Volgend onderwerp.

De eerste scheurtjes in deze overtuiging ontstonden, realiseer ik me nu, toen ik twee jaar geleden vier stuks “de ander” als buren kregen. Een conservatief Turks gezin. De man des huizes zei beleefd ‘hallo buurman’ tegen me als we elkaar passeerden, en mijn vriendin negeerde hij steevast, zoals de buurvrouw dat bij mij deed. De kinderen vermeden oogcontact met ons. Mijn vriendin en ik zeiden zeiden tegen elkaar: wat daar thuis over ons gezegd wordt zal niet best zijn. En zo leefden we een dik jaar langs elkaar heen. Tot afgelopen zomer de kinderen onze kat kwamen aaien. Het ‘hallo buurman’ werd langzaam een terloops gesprek over het weer. Het terloopse gesprek werd een uitnodiging om thee te komen drinken. Tijdens het suikerfeest eerder dit jaar kregen we turks fruit van ze. Wij wensden ze Eid Mubarak. Deze “De ander” bleken gewone mensen, met gewoon andere beleefdheidsvormen, en kregen een naam, en hadden verhalen, over hoe het voor hen was om in Nederland hun draai te vinden.

Toen kwam 3 juni, van dit jaar. De dag van de demonstratie in Rotterdam. Onderweg naar huis, fietste ik naar de punt van het Noordereiland om van een afstandje naar de demonstratie te kijken, uit nieuwsgierigheid. Ik was niet de enige met dat idee. Er stonden tientallen mensen, van alle kleuren, zichtbaar maar beheerst geëmotioneerd. Dit was niet “de ander” die iets opeist wat hij zelf vertikt. Dit waren ook geen activistische hardliners. Dit waren Giani’s, Rateb’s, Mohammed’s, Greg’s en Gordon’s. Mensen met wie het zichtbaar materieel best goed ging, maar die toch een pijn kwamen uiten, die een boodschap kwamen afgeven. Die daar nu de moed voor hadden. Zulke mensen zag je meer. Veel meer. Sterker nog, ze waren in de meerderheid.

Ook in de nasleep van de demonstraties kwam er veel los. Veel van die jongens uit m’n eigen omgeving lieten van zich horen. In bijzondere berichten op sociale media, en in persoonlijke gesprekken. Juist die mensen die voor mij het bewijs waren dat het wel mee moest vallen met die discriminatie, lieten weten hoe vaak ze door vernedering en uitsluiting hebben moeten heenbijten om te bereiken wat ze hebben bereikt. Discriminatie is geen probleem voor die abstractie, “de ander”, maar voor al die mensen, die onze vrienden zijn, onze klas- of teamgenoten, onze geliefden, onze familieleden, maar die een naam hebben die niet traditioneel Nederlands klinkt, of een huid met meer pigment, of een uiterlijke stijl die afwijkt van de norm. En natuurlijk: mensen die vrouw zijn in een omgeving waar mannen de omgangsvormen bepalen, of die homoseksueel zijn, of Jood.

Ik geloof nog steeds dat Nederland een van de minst racistische landen ter wereld is — dat blijkt ook uit onderzoek. Ik geloof nog steeds dat etnische minderheden en ook vrouwen alles in dit land kunnen bereiken, en dat hun gemiddelde positie met elke generatie flink verbetert. Dat blijkt uit onomstreden cijfers van ondermeer het Sociaal en Cultureel Planbureau. Dus we moeten ons niet laten aanpraten, door een deel van de activisten die voorop gingen op de Erasmusbrug en op de Dam, dat Nederland een land is met een onderdrukkende, racistische traditie die moet worden doorbroken. Maar we moeten, in het belang van al die Rateb’s, Giani’s en Greg’s die daar óók stonden, en die er in de meerderheid waren, wel erkennen dat ook Nederlanders mensen zijn, en dat we allemaal een bewuste danwel onbewuste voorkeur hebben voor andere mensen die op onszelf lijken. Die vinden we net eerder aardig, die achten we net eerder competent, daar hebben we net eerder vertrouwen in. Ook dàt is wetenschappelijk onomstreden. En dat leidt in het leven van al die mensen die ons zo dierbaar zijn, tot een gevoel van ongelijkwaardigheid en pijn. En al die kleine interacties, die kleine beslissingen, in een sollicitatieprocedure, in een schooladvies, op de woningmarkt, die opmerkingen op de werkvloer, die maken het bij elkaar opgeteld moeilijker voor hen om hun volle potentieel te vervullen en naar vol vermogen een bijdrage te leveren aan ons land. Natuurlijk, een deel lukt het desondanks toch. Maar een ander deel niet. Die dragen minder bij dan ze zouden kunnen, zijn minder gelukkig, en raken in het ergste geval ernstig verbitterd.

Is het dan moeilijk om als liberaal in een kwestie als deze positie te kiezen? Helemaal niet. De roep om gelijkwaardigheid en gelijke behandeling is ten diepste een liberale roep. Al sinds de bestorming van de Bastille, vandaag zoveel jaren geleden.

Wat het wel ingewikkeld maakt is de polarisatie rondom deze kwestie. Maar daar moeten we, en dan zeg ik het even op z’n Rotterdams, schijt aan hebben. Als mensen met een andere seksuele voorkeur, met een ander geloof, met een andere huidskleur, of met een ander geslacht hun hand opsteken omdat ze ongelijkwaardigheid ervaren, en we moeten erkennen dat dat zo is, dan is hun strijd ook onze strijd.

Vervolgens is het de vraag: wat doe je dan. Allereerst: uit de loopgraaf komen en samenwerking opzoeken. Dat is wat wij zes weken geleden hebben gedaan. Eerst samen met Denk, en twee weken later sloten zich nog vijf andere partijen aan. Dat is best spannend, maar het is onze taak. Wij worden vanuit de stad voor vier jaar die raadszaal ingestuurd om daar naar beste kunnen met de problemen om te gaan die zich in die vier jaar aandienen. Wij zijn passanten. Het belang van de stad, van de samenleving, staat altijd voorop. Ook als het soms voelt als dansen met de duivel, dan moeten we het toch doen. Dat is onze plicht.

Met deze zeven partijen hebben we ideeën ontwikkeld om discriminatie te bestrijden en de kansen voor minderheden en kinderen uit een achterstandssituatie te vergroten. Het allerbelangrijkste doel daarin is dat er geen generatie Rotterdammers meer opgroeit met een negatieve abstractie van “de ander”. We moeten kinderen helpen om van jongs af aan de mens achter de ander te leren zien, en te respecteren. Of die nou een ander geslacht heeft, een andere huidskleur, een andere seksuele voorkeur, of een keppeltje of een hoofddoek draagt. Dat is het meest substantiële dat we voor de lange termijn kunnen doen. Op de korte termijn kan de gemeente in een rol spelen in het beter omgaan met al die kleine negatieve vooroordelen. Zowel in de eigen organisatie als op de arbeidsmarkt, op de woningmarkt, en in het maatschappelijk leven. En werken aan onze gedeelde identiteit, het Rotterdammerschap.

Bovenal moeten wij liberalen elkaar en anderen aansporen in wat we zelf kunnen doen. En dat is met elkaar praten. Naar elkaar luisteren. Er hoeft geen Bastille in de fik, we moeten slechts proberen de mens achter “de ander” te zien, en zich in hem of haar te verplaatsen. Dan helpen we elkaar als individuen, om ons volle potentieel te ontwikkelen. Dan wordt onze diversiteit echt een kracht. En dan is Rotterdam helemaal niet meer te stoppen.

Daarom zeg ik vandaag: Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap.

Schouder aan schouder voor de gelijkwaardigheid van alle Rotterdammers.

Categorieën
Gemeenteraad

Spreektekst debat n.a.v. onthullingen NRC/Nieuwsuur over salafistische scholen

Voorzitter, dank u wel 

Het is wat de VVD betreft simpel. 

Mag je dit een rotland vinden? Ja dat mag je.

Mag je bekrompen ideeën hebben over homoseksualiteit? Dat mag ook.

Mag je een traditionele rolverdeling willen binnen je huwelijk? Zeker.  

Mag je ‘gewoon vroom’ willen leven? Ja dat mag ook

Mag je zoveel mogelijk willen leven zoals een groepje dat in het Midden-Oosten deed zo’n 1400 jaar geleden? Ja, het lijkt mij erg onpraktisch, maar dat mag je ook.

In Nederland heb je die vrijheid. En je hebt die vrijheid onder slechts één voorwaarde: dat je de vrijheid om ongestoord je eigen pad te kiezen ook aan anderen geeft. 

Vrijheden is er niet om op te eisen, uit te kauwen en over een ander heen te spugen. Vrijheid is er alleen voor wie die vrijheid netjes doorgeeft. Met twee handen en een glimlach.  

Dus wat niet mag, is kleine kinderen aanleren dat homoseksualiteit eigenlijk gestraft hoort te worden met de dood. 

Of kleine kinderen leren dat ze niet met andersgelovigen, minder-gelovigen of niet-gelovigen horen om te gaan. Dat mag niet. 

Of kleine kinderen de zichzelf vervullende verwachting aanleren dat de buitenwereld bedreigend voor ze is, en vijandig naar ze is, en dat hier geen plek voor ze is. Dat mag niet. 

Het interesseert me niet onder welke vlag zoiets gebeurt, of dat nou een religie is, een ideologie, of wat dan ook. Dat maakt het niet erger dan het is. En dat maakt het ook zeker niet acceptabeler dan het is. Het kale, naakte feit is dat jonge, beloftevolle en weerloze kinderen een wereldbeeld vol angst, afkeer en haat door de strot wordt geduwd. Het is radicale indoctrinatie, die pervers genoeg plaatsvindt met een beroep op de vrijheid. Vrijheid opeisen om daarmee de vrijheid aan anderen te ontnemen. Dat mag niet. Daar is geen enkele vrijheid voor bedoeld.  

Voorzitter, het pijnlijke is dat wij het hier in april van dit jaar en zelfs in januari van vorig jaar al over eens leken te zijn. Als kwetsbare kinderen in hun ontwikkeling worden gehinderd, zei de burgemeester in april en vorig jaar, dan ja, dan moet de gemeente daartegen optreden. Ten allerminste heeft de gemeente dan de taak om met de ouders in gesprek te gaan en hen indringend te vragen of zij zich realiseren wat ze aanrichten. Maar, verzekerde hij ons, er zijn geen aanwijzingen dat dit in Rotterdam nodig is. 

Voorzitter, ik heb daarom achttien vragen aan de burgemeester:

  1. Allereerst: heeft u de bevindingen van NRC en Nieuwsuur inmiddels kunnen verifiëren?
  2. Vindt hij dat het type informeel salafistisch onderwijs dat NRC en Nieuwsuur hebben geopenbaard kwetsbare kinderen in hun ontwikkeling hindert? Of valt dit wat hem betreft onder “onschuldig onderwijs in orthodoxe opvattingen”, om woorden te gebruiken die hij in april gebruikte? Als hij dat vindt, hoe verhouden deze “orthodoxe opvattingen” zich dan tot de burgerschapsdoelen die van links tot rechts worden omarmd? 
  3. Is hij het met de VVD eens dat hier sprake is van hoogst onwenselijke radicale indoctrinatie die beschadigend is voor de kinderen in kwestie en de democratie en onze open samenleving ondermijnt? 
  4. Hoe kan het dat de gemeente niet wist dat we in onze stad wel degelijk twee moskeescholen hebben waar dit soort radicale indoctrinatie plaatsvindt? 
  5. Wat is de kwaliteit van de informatiepositie van onze gemeente, ondanks de ferme zelfverzekerde woorden die daarover bij herhaling zijn uitgesproken, als we dit niet wisten? Hoe kan het dat ons netwerk van sleutelfiguren dit heeft gemist? Of als ze het wel hebben wel opgemerkt, niet hebben gemeld? 
  6. Hoe kijkt het College nu terug op de nogal passieve grondhouding die spreekt uit de Collegebrief over informeel onderwijs, die we naar aanleiding van de bespreking in april hebben ontvangen, waarin met zoveel woorden staat dat we nu eenmaal geen goed overzicht van het informeel onderwijs hebben en dat we het verkrijgen daarvan maar aan de Rijksoverheid overlaten? 
  7. Hoe verhoudt dat zich tot wat de verantwoordelijk wethouder in april tijdens het debat liet weten, namelijk dat ieder jaar de veiligheid, het pedagogisch klimaat, en de bevordering van burgerschap in jeugdverblijven zoals de moskee-internaten wordt onderzocht? Hoe gebeurt zo’n onderzoek? 
  8. Waarom heeft de -terechte- obsessieve focus op gelijke kansen voor alle kinderen en de terechte houding dat we daarbij verder gaan dan wettelijk noodzakelijk, mogelijk niet gegolden voor kinderen op religieuze instellingen? Waarom wist de gemeente het niet, of wilde de gemeente het niet weten, of was de gemeente angstig om bij vermoedens door te pakken, of werd het – God verhoede dat dat is wat er aan de hand is – onder het tapijt geschoven omdat het bestuurlijk, politiek of maatschappelijk gevoelig ligt? 
  9. Kan de burgemeester ons verzekeren dat kwesties als deze nooit onder het tapijt worden geschoven, uit bezorgdheid over de mogelijk polariserende uitwerking ervan?
  10. Hoe kan het dat twee journalisten aan het daglicht hebben kunnen brengen wat al onze diensten, ambtenaren, informanten en inspecteurs blijkbaar is ontgaan? 

Voorzitter, tot zover de terugblik. Nu vooruit. 

Veel van wat er moet gebeuren ligt op het bord van de wetgever in Den Haag. 

  1. Allereerst moet buitenlandse financiering eindelijk worden gestopt. Dat staat ook in het regeerakkoord, maar het gebeurt maar niet. Is de burgemeester bereid om samen met de andere getroffen gemeenten op te trekken en bij het Rijk in niet mis te verstane woorden duidelijk te maken wat de maatschappelijke gevolgen zijn van haar gedraal en getreuzel? 
  2. De Onderwijsinspectie moet worden versterkt en een ruimer mandaat krijgen. Is hij bereid ook daarbij op spoed aan te dringen? 
  3. En ja, ik verwacht er geen actie op van het College, maar het is essentieel dat de Kamer op voorstel van mijn gewaardeerde collega Dijkhoff opnieuw werk maakt van een handhaafbaar verbod op organisaties die onder het mom van godsdienstvrijheid de democratie ondermijnen.

Maar voorzitter, we kunnen op dat alles niet gaan zitten wachten. We kunnen ook zelf al wel wat doen. 

  1. Allereerst moet de weerzin tegen deze radicale indoctrinatie die breed binnen de Islamitische gemeenschap zelf leeft worden gemobiliseerd. Is de burgemeester bereid om samen met Islamitische organisaties al het mogelijke te doen om de redelijke krachten te versterken en hen middelen te geven om in actie te komen tegen radicale indoctrinatie? 
  2. Is hij bereid om wijkagenten, BOA’s, wijkteams, scholen en anderen in de haarvaten van de samenleving beter toerusten om radicale indoctrinatie te signaleren en ertegen in actie te komen?
  3. Is hij bereid om met politie, inlichtingendiensten, FIOD, Bouw- en Woningtoezicht een actief verstoringsbeleid te voeren richting instellingen waar radicale indoctrinatie plaatsvindt? 
  4. Is hij bereid om met een afvaardiging van deze raad een besloten expertsessie te organiseren om verdere stappen uit te denken?
  5. En is hij bereid om de grenzen van de wet op te zoeken, bijvoorbeeld die van de Jeugdwet en de Wet herziening Kinderbeschermingsmaatregelen, om kinderen tegen radicale indoctrinatie te beschermen? 

Voorzitter, tot zover mijn vragen.

Ter afronding wil ik via u iets zeggen tegen de vele mensen die de berichten en de uitzending vorige week hebben gezien en zich boos hebben gemaakt, en die zich zorgen maken. Net als ik zelf. Maar wat wij ons moeten realiseren is dat wij niet echt wat te vrezen hebben. Onze liefde voor vrijheid, voor elkaar, voor onze manier van leven, is onwankelbaar. Daar kunnen nog geen miljoen fundamentalisten iets aan veranderen. Wij vormen met z’n allen een stralende berg, waar vanuit de hele wereld begerig naar wordt gekeken. En die berg wijkt geen millimeter, voor niemand. Als er iets is dat we mogen voelen, dan is dat zelfvertrouwen, en trots. En in dat gevoel delen inmiddels ook ontzettend veel Hollandse moslims, die net zo van deze stad en dit land houden als ieder ander. Laten we hen echt omarmen. 

En voor de berg, helemaal beneden in de modder, daar zitten de extremisten, die elke dag vol angst en gruwel naar die stralende berg kijken, en zichzelf een grimmig en uitzichtloos bestaan opleggen. Ze ontzeggen zichzelf alles wat het leven hier zo mooi maakt en zullen nooit volwaardig kunnen meedoen in dit prachtige land.

Daarom zeg ik tegen de mensen waar het vandaag over gaat: Zweer de haat af. Omarm gelijkwaardigheid, en vrijheid. Dan is er ook voor jullie plek op onze berg. Maar de berg komt niet naar jullie. De berg wijkt niet. Jullie zullen naar de berg moeten komen. 

Dankuwel. 

Categorieën
Gemeenteraad

Initiatiefvoorstel Laat de Rotterdamse vlag wapperen

Voor de een is het de liefdesbaby van de vrijheid, voor de ander de bastaard van het kosmopolitisme. Diversiteit. Listige kwestie. Wie z’n best doet, kan beide perspectieven begrijpen.

Naar welk perspectief je ook neigt, waar we het over eens kunnen zijn is dit: in onze veelkleurige samenleving zijn er mensen in letterlijk elke denkbare vorm, kleur, geur en maat, en we missen een gevoel en een besef van wat we nog met elkaar delen en wat ons nog bindt. Saamhorigheid. We missen het gevoel waardoor we weten: wij zitten ondanks al die verschillen wel in hetzelfde schuitje. Wij trekken aan dezelfde kant van het touw. Wij kunnen elkaar vertrouwen. En wij kunnen daarom geïnteresseerd zijn in elkaar, investeren in elkaar, en leren van elkaar.

In de afwezigheid van zo’n gevoel lijken verschillen groter dan ze zijn en worden ze belangrijker dan zou hoeven. In die leemte broeit en borrelt angst, intolerantie, afkeer en afwijzing van elkaar. Omdat we onszelf niet als één groep zien, zien we vanzelf verschillende groepen. En dat is een recept voor ellende. Schadelijk groepsdenken, discriminatie, en het verabsoluteren van het eigene haat liggen dan op de loer. We zien het elke dag meer.D

We kunnen dat niet hebben. Het verziekt de sfeer behoorlijk en het belemmert het mensen die naar beste kunnen en eer en geweten gewoon een fijn leven willen hebben.

Daarom: actie. Doen. Want hoe verleidelijk het ook is om ons te blijven verliezen in het venijn en de complexiteit van de materie, zó ingewikkeld is het allemaal nou ook weer niet. Er staat ons in wezen niets te doen, dat niet al eens eerder gedaan is, of waarvoor de kennis ons ontbreekt. Het is al veel vaker gelukt om mensen tot elkaar te brengen en zich met elkaar verbonden te laten voelen, ook in samenlevingen die er aanzienlijk beroerder aan toe waren dan wij nu.

Natuurlijk, een sluitende aanpak met resultaatgarantie is niet zomaar op tafel te leggen. Maar er is best een lijst acties te formuleren die in ieder geval bijdragen, die we in íeder geval zouden moeten doen. Helemaal bovenaan dat lijstje actiepunten staat dit: maak de symbolen van de gedeelde identiteit in de publieke ruimte beter zichtbaar, en vergroot zo het bewustzijn en de ervaren relevantie van die gedeelde identiteit. En die gedeelde identiteit is: onze stad en de trots die we daarvoor voelen. Rotterdam.

Hoe werkt dat? Zo. Wij mensen ontvangen en verwerken de hele dag allerlei prikkels. Bewust en onbewust sturen die hoe we ons voelen, waar we over nadenken, en zelfs wàt we denken. Sinds jaar en dag wordt daar, door wat reclame en marketing is gaan heten en wat inmiddels een megamiljardenindustrie is, gebruik van gemaakt en op ingespeeld. Laten we de tactieken die zij gebruiken eens inzetten voor de goede zaak.

Eén van die tactieken is het vergroten van ‘mentale aanwezigheid’. De wetenschap erachter is eenvoudig te begrijpen, en gaat zo. In ons brein is ontzettend veel informatie opgeslagen. Zó veel, dat je je niet voortdurend van al die informatie bewust kunt zijn, en zelfs zó veel dat je niet voortdurend al die informatie bij de hand kunt hebben. Iedereen kent wel dat gevoel dat je soms echt even in je geheugen moet ‘graven’ om bepaalde informatie naar boven te krijgen. In zo’n geval is bijvoorbeeld een vraag die aan je gesteld is, een signaal voor je brein om die informatie op te zoeken. Je kunt vaak het best rustig verder met je gesprek en na korte tijd popt het antwoord vol- automatisch bij je naar boven. De natuur is fantastisch.

Met het vergroten van ‘mentale aanwezigheid’ proberen reclamemakers en marketeers zulke signalen aan je brein te geven en zo te sturen welke informatie je, onbewust, bij de hand hebt. Manieren om dat te doen zijn adverteren op goed zichtbare reclamezuilen in de openbare ruimte, of het uitzenden van reclame met een tune die blijft hangen. Elke keer als je dat ziet of hoort, ook als je je er niet eens van bewust bent, maken je hersenen de informatie over dat merk paraat. Zo vergroten reclamemakers de kans dat je, als je bijvoorbeeld door de supermarkt loopt, kiest voor hun product. De in je brein opgeslagen informatie over hun product (zoals een herinnering of iets wat je over hebt gelezen) is immers al paraat en zal dus bij het bekijken van een schap sneller bewust bij je opkomen. En wat bekender voelt is een meer aantrekkelijke keuze. Simpel, en heel effectief. De psycholoog Daniel Kahneman heeft de Nobelprijs voor de economie gewonnen voor onderzoek waarin hij onder meer dit fenomeen aantoonde.

Op een vergelijkbare manier kunnen we mensen zich meer bewust maken van onze gedeelde identiteit, het Rotterdammerschap. We hebben daar geen reclamezuilen of advertenties voor nodig, want de stad heeft een herkenbaar elegant symbool, de vlag, die op veel logische plekken in het straatbeeld past. Het is tijd om dat te benutten.

Nee, het effect zal niet zijn dat we elkaar opeens allemaal snikkend in de armen vallen en dat alle problemen de wereld uit zijn. Maar op de lange actielijst voor beter samenleven is dit een quick win. Iets wat we in ieder geval zouden moeten doen. De kosten zijn, in brede zin, erg laag. Daar staat de opbrengst tegenover dat we er allemaal veel vaker bewust en onbewust aan herinnerd worden dat we Rotterdammer zijn. Dat draagt bij aan het (her)ontwikkelen van ons gevoel van gemeenschap, saamhorigheid, en gedeelde trots.

Een woord van erkenning en waardering, ten slotte, moet worden gericht aan de fracties van NIDA, Leefbaar Rotterdam en DENK, en aan wethouder Wijbenga. Dankzij NIDA werd de verbindende kracht tijdens de vorige raadsperiode al erkend en werd gedurende het bijzondere jaar 2015 de Rotterdamse vlag nadrukkelijker gehesen. Leefbaar Rotterdam deed in dezelfde periode een tevergeefse poging om de vlag als belangrijk symbool van verbondenheid in de Raadszaal te plaatsen, en dankzij DENK is dat onlangs eindelijk gelukt. Dankzij wethouder Wijbenga ligt er een stevige beleidsagenda om meer ontspannen samen te leven, waarin de noodzaak van verbinding en saamhorigheid ruimschoots aan bod komt. Het is nu het moment voor een volgende stap.

Het volledige voorstel (is niet heel lang hoor) kun je hier lezen.