Categorieën
Meningen

De stuitende hypocrisie van NIDA

De Rotterdamse gemeenteraad staat erom bekend een beetje rauw te zijn. Han van Midden, de voormalige raadsgriffier, zag daar bij zijn afscheid een essentiële taak van de volksvertegenwoordiging: politici zijn bezig op te komen voor hun achterban, om ze te emanciperen, en daar hoort al te veel zachtzinnigheid niet bij. 

Mijn stijl is het niet, het smijten met hyperbolische verwijten om je punt te maken, of het nodeloos oppompen van alleszins overzichtelijke problemen. Ik hou meer van proberen elkaar te begrijpen dan elkaar beledigen, en meer van het compromis dan van het opgeblazen verschil. Dat is een kwestie van karaktertrekken, overtuiging, en ook pragmatisme: de idealen die ik mag vertegenwoordigen verlangen nu eenmaal deze houding. 

Indachtig Van Midden’s afscheidsrede besef ik me echter: andere raadsleden en andere partijen hebben andere achterbannen, met andere noden. Ik heb er begrip voor dat zij hun rol anders invullen dan ik de mijne. Bovendien: ieder vogeltje moet zingen zoals het gebekt is. Die houding werkt, heb ik gemerkt, als een soort isolatiemateriaal: het getetter dringt meestal nog nauwelijks tot me door. Sòms gebeurt er echter iets dat als een speer door die isolatie heen gaat en wat me pislink maakt. Dat gebeurde deze week. 

Een korte aanloop: twee weken geleden schreef wethouder Wijbenga, de man die zich meer dan wie ook tijd en inspanning getroost om onze ingewikkelde samenleving meer relaxed te maken, dat de praktijk hem had geleerd dat er een grens is aan het aantal vluchtelingen die we in onze stad kunnen opvangen. Vluchtelingen écht onderdeel maken van de samenleving en ze kans bieden op een hogere kwaliteit van leven vergt veel inspanning en geld, en dat hebben we niet onbeperkt beschikbaar. Ik schreef daar zelf ook een uitgebreid stuk over. Wijbenga en ik zijn het roerend eens. 

Bij grote delen van de gemeenteraad schoot Wijbenga’s pleidooi echter in het verkeerde keelgat. NIDA liep voorop om hem in Rotterdamse stijl te grazen te nemen: ‘Zondebokpolitiek!’, ‘U zet mensen tegen vluchtelingen op!’, ‘Schande!’ Je moet lenig van geest zijn om dit uit zijn verhaal te halen, maar soit, dit is hoe het gaat, dacht ik. Bovendien zat er voor de goede verstaander, bedolven onder de felle woorden, ook nog een boodschap in die wel degelijk het overdenken waard is: als je als leider iets zegt gaat het er niet alleen om wat jij met je woorden bedoelt, je moet je ook realiseren wat je achterban verstaat. Dat is niet altijd hetzelfde. 

Naar NIDA luister ik wel meer met bovengemiddelde interesse. De pleidooien van Nourdin El Ouali en zijn makkers over diversiteit, integratie en emancipatie zijn temperamentvol en niet zelden vilein, maar ook intelligent en dooraderd met ethiek. Bovendien vertegenwoordigen ze een groep Rotterdammers die zich midden in de integratieparadox bevinden: mensen met een migratieachtergrond en een relatief hoge opleiding en goede carrière, die juist door het meer dan gemiddelde contact met autochtone Nederlanders relatief veel afwijzing ervaren. Als je de complexiteit van onze jonge superdiverse samenleving wil begrijpen, dan moet je hén willen begrijpen. 

Halverwege vorig jaar verweet NIDA mij selectieve verontwaardiging, toen ik in een debat pleitte voor maatregelen tegen de oprukkende Jodenhaat in ons land. Ja, antisemitisme is verschrikkelijk en daar moeten we tegen in actie komen, maar waarom hoorde men mij niet over moslima’s die beschimpt en geïntimideerd worden? Het was een pleidooi voor principiële zuiverheid en dat nam ik ter harte: niet lang erna vroeg ik het College, samen met een NIDA-raadslid, om ook actiever op te treden tegen schandalige incidenten als het bespugen van moslima’s. 

Juist daardoor stuitte de stunt van NIDA van afgelopen dinsdag, waarover zo meer, me zo enorm tegen de borst. U moet weten: het Arabisch-Israëlische conflict is één van de belangrijkste bronnen van culturele spanningen in onze samenleving. Het is een bron van frustratie en boosheid voor islamitische jongeren die zich verbonden voelen met de Palestijnen. Het komt veelvuldig terug in de straatcultuur waardoor ze zich afkeren van de Westerse manier van leven, waardoor de sfeer in schoolklassen soms grimmig is, en waardoor ze hun eigen kansen vergooien. Het is bovendien een van de belangrijkste bronnen van Jodenhaat in Nederland. 

Dus: wie oprecht ‘verbinding’ en ‘inclusie’ wil, en wie oprecht wil bijdragen aan de kansen en de emancipatie van deze jongeren, die moet helpen hen ervan te overtuigen dat dat conflict weliswaar in allerlei opzichten ontzettend vervelend is, maar dat het in onze samenleving geen plek heeft. Het is voor hen, hier, niet belangrijk. Het mag niet iets zijn dat hen, hier, onnodig frustreert en tegenhoudt. Laat Israël en Palestina aan de Israëli’s en de Palestijnen, hier zijn wij allemaal Rotterdammers. De vlag die hier hoort te wapperen is die ene die ons verbindt: de Rotterdamse. Dat is de énige juiste boodschap zijn en die boodschap zou je in de eerste plaats van NIDA mogen verwachten. 

Maar nee. Nota bene NIDA, de partij van emancipatie, ethiek en het verwijt dat het principieel onzuiver is om Jodenhaat niet in één adem met islamofobie aan te kaarten, die presteert het afgelopen dinsdag om met vlaggen en al uit naam van de Palestijnen tegen het Songfestival te demonstreren – omdat Israël daaraan deelneemt. De leiders van NIDA zullen het vast graag witwassen door te zeggen dat erover gediscussieerd moet kunnen worden dat de Palestijnen niet mogen deelnemen en Israël wel, en dat antizionisme niet hetzelfde is als antisemitisme. Maar leiderschap is dat je je bewust bent van het effect van je woorden. Het gaat er niet om wat je bedoelt, het gaat erom wat door je achterban wordt verstaan. Dat is wat ze twee weken geleden Wijbenga zelf zo venijnig voor de voeten wierpen. 

En wat die achterban verstaat is dit: ons, de moslims, wordt weer onrecht aangedaan. Wees boos op Joden. 

Het is malicieuze identiteitspolitiek die de emancipatie van alle jonge moslims die het hebben gezien en wier woede en afkeer van onze samenleving weer is aangewakkerd, een schop achteruit heeft gegeven. De morele rechtlijnigheid van NIDA is niets meer dan een stuitend hypocriete pose. Bah.  

Categorieën
Meningen

Waarom ik lang tegen een Rotterdams vuurwerkverbod was, en daar nu voor ben

De kogel is door de kerk: er komt in Rotterdam een vuurwerkverbod. Ik vond dat een moeilijke beslissing. Tot afgelopen weekend ben ik daar tegen geweest. Zelf heb ik alleen heel leuke eigen ervaringen met vuurwerk. Als kleine Tim ging ik elk jaar met vrienden en een grote zak astronauten over straat. Ik herinner me hoe gaaf ik het vond, hoe bijzonder de sfeer was. Na twaalven allemaal voor de deur pijlen en potten afsteken, de buren een gelukkig nieuwjaar wensen. Ook deze laatste jaarwisseling heb ik nog het een en ander afgestoken, van vuurwerk dat een goede vriend had meegenomen. Dat waren mijn ervaringen met vuurwerk. Daarom was ik altijd tegen een verbod. Vuurwerk, daarmee doe je toch niemand kwaad, dat is toch gewoon leuk?

De afgelopen week heb ik na verschillende gesprekken, waaronder met fractiegenoten, mijn eigen ervaringen eens geparkeerd en bewust geprobeerd de andere kant te zien. Daardoor ben ik er voor het eerst echt van doordrongen geraakt dat de ervaringen van heel veel andere mensen heel anders zijn. Niet meer de straat over durven. Halve explosieven naar je toe geworpen krijgen. Er zijn 1300 gewonden gevallen, waarvan de helft omstanders. Agenten zijn doelbewust belaagd. Er ontstond in wijken een sfeer van totale wetteloosheid. Jongemannen dachten dat ze alles konden maken. Auto’s werden in de fik gestoken, zelfs bij mij om de hoek twee stuks. Het werd elk jaar erger.

Dat kán niet. Dat valt niet te accepteren. Mijn pleziertje, en dat van anderen die ook fijne ervaringen met vuurwerk hebben, weegt niet op tegen al die angst, dat leed, die vernielingen, dat geweld. En bovendien: kijk eens een van de vele dappere mannen en vrouwen van onze politie, brandweer, handhaving en ambulances in de ogen. Wil je hen vragen om voor dat pleziertje van ons elke keer weer dat gevaar in te duiken? Ik wil dat niet meer.

Daarom sta ik er volledig achter dat mijn collega’s en ik nu hebben besloten dat wij voor een vuurwerkverbod in Rotterdam zijn. Er staat tegenover dat er substantieel geld komt om in elke buurt een professionele vuurwerkshow te organiseren. Hopelijk wordt dat een mooie traditie die voor iederéén leuk is, waar mensen zich veilig voelen en onbezorgd met hun flesje en oliebollen naartoe kunnen komen, om elkaar een gelukkig nieuwjaar te wensen.

Categorieën
Meningen

De VVD doet wat Fortuyn schreef

Dit opiniestuk is oorspronkelijk gepubliceerd op woensdag 3 april 2019 in het Algemeen Dagblad.

Vorige week schreef Joost Eerdmans (fractievoorzitter Leefbaar Rotterdam) op deze plek dat met het integratiebeleid van zijn opvolger, VVD-wethouder Bert Wijbenga, “kostbare jaren” zullen worden “verspild door pappen en nathouden.” Het beleid “is ontdaan van de geest van Fortuyn.” Het deed me denken aan Eerdmans’ reclamefilmpje bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen. In dat filmpje werden de successen van vier jaar Leefbaar-beleid opgenoemd. De crisis is voorbij, de stad trekt weer bedrijven aan, enzovoorts. En toen kwam het: “de integratieproblemen zijn aan de kaak gesteld.” Huh? Niet “we hebben er wat aan gedaan”, maar “we hebben het aan de kaak gesteld.” Oftewel: we zijn bij elke gelegenheid woedend en ‘schande!’-roepend naar de microfoon gestoven, en dat was het wel. Was dat dan die ‘geest van Fortuyn’? 

Het is in ieder geval zeker níet de geest van zijn boeken, waarmee velen van mijn generatie politiek volwassen zijn geworden. In zijn scherpe analyses legde hij de vinger op de zere plek, aan beidekanten van de integratiekwestie. Zijn doel was niet om minderheden aan te klagen, zijn doel was problemen oplossen. Hij schreef scherp op dat de waarden van sommige minderheden niet bij onze vrijheid passen. Maar óók dat we daar pas verandering in kunnen brengen als hun plek en kansen in de maatschappij verbeteren. Zolang dat niet gebeurt blijft men hangen in gesloten en afgezonderde gemeenschappen. Het kan je niet aan staan, maar c’est ça.

Geheel in dezegeest gaat de coalitie aan de slag. Het fundament is dat we staan voor onze waarden, voor onze vrijheid en gelijkwaardigheid. Daarin wijken we geen millimeter, voor niets en voor niemand. We verschillen hierin niet van Leefbaar, behalve dat wij het liever zelfverzekerd en stellig doen dan boos en op hoge toon. Bovendien handhaven we de wet, onverzettelijk en onvermurwbaar. Daarin gaan we een stuk verder dan het vorige College. Meer geld, meer camera’s, meer handhavers, meer agenten, meer bevoegdheden en meer controles. Wie weigert om op een positieve manier mee te doen, krijgt met de wet te maken.

Daar hoort bij dat we eindelijk echt de hand uitsteken naar iedereen die wel mee wildoen, maar waarbij het nog niet lukt. Bijvoorbeeld door discriminatie nu eens in ernst aan te pakken. En wij staan ervoor dat we met z’n allen de diversiteit van onze stad accepteren. Alle Rotterdammers moeten voelen dat ze erbij horen en dat hun toekomst alleen in Rotterdam ligt. 

Eerdmans mag dit onzin vinden, maar het was onder zijnbewind dat een groep Turkse Rotterdammers zo ver van de Nederlandse samenleving afdreef dat ze op de Erasmusbrug met hun vlaggen begonnen te zwaaien. Daar heeft al zijn aan-de-kaak-stellerij in ieder geval niets tegen geholpen.