Categorieën
Columns

Zelfreflectie

Zelfreflectie. Wie kan het nog? Opmerken dat iets niet gaat zoals je zou willen en dan allereerst jezelf indringend de vraag stellen: wat had ik anders kunnen doen? Wat kan iknu nog anders doen? Wat kan ik voortaan anders doen? In plaats daarvan veranderen we maar al te vaak de richting van de wijsvinger met een verbeten blik in één moeite van dat wat we –en wel nu- willen hebben, naar degene wiens schuld het zou zijn dat we het -potverredikkeme- nog niet hebben. De politiek. De elites. De banken. De EU. De fascisten. De antifascisten. De kolonisten. De racisten. De moslims. De discriminatie. De witten. De zwarten. De migranten. De politie. De leraren. De toetsen. De jaren ’60. De media. Het neoliberalisme. Het systeem. De ouders. De buurman. De ander. We zijn steeds vaker het slachtoffer van de vervloekte ander. Het is niet alleen irritant, maar ook steeds meer van belang. 

Even een zijstapje, namelijk. China. U heeft het vast gelezen of gehoord: China timmert aan de weg. Zo stelt het aan heel veel landen heel veel geld beschikbaar om infrastructuur aan te leggen, die China vervolgens voor z’n handelsverkeer gebruikt. Twee weken geleden nog, nam het kleine maar dappere Montenegro een lening aan, ter waarde van een kwart van al het geld dat ze daar in een jaar kunnen verdienen. Met als onderpand Montenegrijnse grond, en met de afspraak dat over alle mogelijke geschillen voor een Chinese rechtbank wordt besloten. Wat kan daar nou mis gaan? Op deze manier krijgen de Chinezen steeds meer landen in hun greep. Een briljante strategie. Ondertussen maken de steeds welvarender Chinezen zichzelf niet vrij, zoals lang werd verwacht, maar verstevigt de staat ook op hen z’n grip. Ze functioneren als een strak aangestuurde geöliede machine. Iedereen houdt z’n hoofd omlaag, houdt z’n bek, en blijft in z’n rol. Efficiënt, effectief, doelgericht. Met dat systeem zijn wij meer en meer in concurrentie om de welvaart en om wie het voor het zeggen heeft – zowel in de wereld als, via die infrastructuurprojecten, hier in Europa.  

Die concurrentie is een botsing van systemen. Het hunne is niet het onze. Wij in Europa, in Nederland, in Rotterdam hebben eigen ideeën over hoe het leven zou moeten zijn. Wij willen niet dat een ander ons een plek aanwijst in een megamachine, waar we ons maar in moeten schikken. Wij willen geen bulkproduct zijn, geproduceerd op een megalomane lopende band, bediend door iemand anders. Wij willen stuk voor stuk een ambachtelijke, handgemaakte creatie zijn, ontworpen, uitgehakt, geboetseerd, versierd door onszelf. Wij willen gekke dingen kunnen doen. Nieuwe ideeën kunnen bedenken. Rare dingen kunnen vinden. En ze nog mogen zeggen ook. Vrij zijn. Gelijk. Eigen baas. 

Vandaag de dag zijn we dat ook. Dat is een edel goed, wat komt met een grote verantwoordelijkheid: als wij ons niet door een ander rond willen laten bazen, dan moeten we dat welzelf doen. En dat begint met de spiegel voorhouden – aan onszelf. Anders veranderen we van een bastion van vrije en welvarende mensen, in een steeds gefrustreerder hoopje slachtoffers van de ander. Het kan aan mij liggen, de mogelijke ironie van dit stukje ontgaat me niet, maar aan het zelfbeklag komt in mijn ogen steeds minder snel een eind. Laten we ermee kappen. Niet alleen om mij van m’n ergernis af te helpen. Ook niet alleen omdat we anders over dertig jaar allemaal Chinees praten. Maar ook gewoon voor onszelf: meer zelfreflectie is, volgens ongeveer ieder zelfhulpboek ooit, de sleutel tot meer persoonlijk succes. 

Deze column verscheen oorspronkelijk op Dagblad010.nl

Categorieën
Meningen

De VVD doet wat Fortuyn schreef

Dit opiniestuk is oorspronkelijk gepubliceerd op woensdag 3 april 2019 in het Algemeen Dagblad.

Vorige week schreef Joost Eerdmans (fractievoorzitter Leefbaar Rotterdam) op deze plek dat met het integratiebeleid van zijn opvolger, VVD-wethouder Bert Wijbenga, “kostbare jaren” zullen worden “verspild door pappen en nathouden.” Het beleid “is ontdaan van de geest van Fortuyn.” Het deed me denken aan Eerdmans’ reclamefilmpje bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen. In dat filmpje werden de successen van vier jaar Leefbaar-beleid opgenoemd. De crisis is voorbij, de stad trekt weer bedrijven aan, enzovoorts. En toen kwam het: “de integratieproblemen zijn aan de kaak gesteld.” Huh? Niet “we hebben er wat aan gedaan”, maar “we hebben het aan de kaak gesteld.” Oftewel: we zijn bij elke gelegenheid woedend en ‘schande!’-roepend naar de microfoon gestoven, en dat was het wel. Was dat dan die ‘geest van Fortuyn’? 

Het is in ieder geval zeker níet de geest van zijn boeken, waarmee velen van mijn generatie politiek volwassen zijn geworden. In zijn scherpe analyses legde hij de vinger op de zere plek, aan beidekanten van de integratiekwestie. Zijn doel was niet om minderheden aan te klagen, zijn doel was problemen oplossen. Hij schreef scherp op dat de waarden van sommige minderheden niet bij onze vrijheid passen. Maar óók dat we daar pas verandering in kunnen brengen als hun plek en kansen in de maatschappij verbeteren. Zolang dat niet gebeurt blijft men hangen in gesloten en afgezonderde gemeenschappen. Het kan je niet aan staan, maar c’est ça.

Geheel in dezegeest gaat de coalitie aan de slag. Het fundament is dat we staan voor onze waarden, voor onze vrijheid en gelijkwaardigheid. Daarin wijken we geen millimeter, voor niets en voor niemand. We verschillen hierin niet van Leefbaar, behalve dat wij het liever zelfverzekerd en stellig doen dan boos en op hoge toon. Bovendien handhaven we de wet, onverzettelijk en onvermurwbaar. Daarin gaan we een stuk verder dan het vorige College. Meer geld, meer camera’s, meer handhavers, meer agenten, meer bevoegdheden en meer controles. Wie weigert om op een positieve manier mee te doen, krijgt met de wet te maken.

Daar hoort bij dat we eindelijk echt de hand uitsteken naar iedereen die wel mee wildoen, maar waarbij het nog niet lukt. Bijvoorbeeld door discriminatie nu eens in ernst aan te pakken. En wij staan ervoor dat we met z’n allen de diversiteit van onze stad accepteren. Alle Rotterdammers moeten voelen dat ze erbij horen en dat hun toekomst alleen in Rotterdam ligt. 

Eerdmans mag dit onzin vinden, maar het was onder zijnbewind dat een groep Turkse Rotterdammers zo ver van de Nederlandse samenleving afdreef dat ze op de Erasmusbrug met hun vlaggen begonnen te zwaaien. Daar heeft al zijn aan-de-kaak-stellerij in ieder geval niets tegen geholpen. 

Categorieën
Gemeenteraad

Debat over AIVD-bericht radicale moslims in islamitisch onderwijs

Op donderdag 4 april spraken we in de gemeenteraad van Rotterdam over het bericht van de AIVD dat radicale moslims steeds meer grip krijgen op koranscholen en moskee-internaten. Dat is bericht is zorgelijk voor de veiligheid van ons allemaal, maar in het bijzonder voor alle hardwerkende Rotterdamse moslims, die hun kinderen uit de buurt willen houden van dat soort gevaarlijke mafkezen.

Categorieën
Gemeenteraad

Debat over integratiebeleid

Op donderdag 21 maart 2019 spraken we in de Rotterdamse gemeenteraad over het integratie- en samenlevingsbeleid. Hierboven zie je mijn inbreng namens de Rotterdamse VVD-fractie.

Ons doel is een ontspannen stad, waarin mensen in vrijheid en gelijkwaardigheid met elkaar samenleven en als team, Team Roffa, werken aan een stad om trots op te zijn. Veiligheid en het afdwingen van onze waarden staan voorop. Om gelijke kansen voor alle etnische en culturele groepen voor elkaar te krijgen is het nodig om discriminatie aan te pakken, maar dat alleen is niet genoeg. Veel Rotterdammers moeten vooral zèlf meer verantwoordelijkheid nemen. Zonder meer betrokkenheid van ouders bij het onderwijs van de kinderen, zonder thuis meer Nederlands te gaan praten, zonder je aan te passen aan wat nou eenmaal de dominante sociaal-culturele normen in Nederland zijn, en zonder de kansen die je krijgt ook echt met beide handen te pakken, is elk overheidsprogramma op voorhand kansloos.

Categorieën
Essays

Laten we in Team Roffa eerlijk zijn

Dit opiniestuk is oorspronkelijk op zaterdag 16 maart in NRC Handelsblad gepubliceerd

‘Doe ‘s lief’. Zou het lukken, donderdag, als we in de meest gepolariseerde gemeenteraad van het land spreken over het integratie- en samenlevingsbeleid? De kans is klein. ‘Doe zelf‘s lief’, eerder. Bijna dertig jaar nadat Bolkestein de stilte doorbrak over de risico’s van een gebrek aan betekenisvol integratiebeleid hebben we een samenleving en een maatschappij die te vaak bepaald niet het beste in ons naar boven halen. Inmiddels voelt vrijwel iedereen zich in enige mate in zijn identiteit bedreigd of miskend, voelen velen zich vergeten en verlaten, voelen anderen zich achtergesteld en systematisch gediscrimineerd, en moet het instituut voor publieksopvoeding, SIRE, ons dus vertellen toch weer eens lief tegen elkaar te doen. Dat komt natuurlijk niet alleen, maar zeker grotendeels door hoe is omgegaan met onze sneltoenemende diversiteit.

Want laten we eerlijk zijn: we hebben te maken met de erfenis van een generatie politici van wie een deel de problemen misbruikte om verkiezingen te winnen, en dus zijn eigen achterban naar de mond praatte, en van wie een ander deel druk was de economie weer op de rails te krijgen, en dus om geen gedoe te hebben óók zijn achterban naar de mond praatte. Dat er in de klachten of het standpunt van de ander weleens iets legitiems kon zitten, is zo door veel politici lang deskundig genegeerd en is mensen lang niet verteld. Dat is de erfenis van jarenlange politiek over diversiteit: echte problemen, halve waarheden, ongedragen oplossingen. 

Als nieuwe generatie kunnen wij zelf bepalen of we die erfenis aanvaarden. We kúnnen het ook níet doen. Omdat we ons tegen de gewoonte in realiseren dat als je met zoveel mensen op zo’n klein stukje aarde woont, je noodgedwongen tot hetzelfde team behoort. In ons team, dat z’n welvaart moet verdienen in een steeds competitievere wereld, hebben we van iedereen het beste nodig. Dat we dat ook van iedereen krijgen is een gedeelde verantwoordelijkheid. 

Om te beginnen: discriminatie. Het kan wel zijn dat je ondanks discriminatie burgemeester kunt worden, maar iedere keer dat een Rotterdammer minder presteert dan wat hij in zich heeft door discriminatie, is dat een verlies voor het hele team. De handhaving van de wet moet beter, maar de overheid kan het niet alleen. We hebben ook een gedeelde verantwoordelijkheid om onszelf en elkaar te corrigeren als dat nodig is. In ons team hoort wat je presteert, altijd te gaan boven wie je bent of waar je vandaan komt. Laat naast linkse, ook rechtse politici daar zonder meel in de mond over praten en in ernst helpen deze norm te stellen en af te dwingen.

Dat werkt wel beide kanten op. Een deel van de Rotterdammers die menen te worden gediscrimineerd, is gewoon een minder goede kandidaat dan tegen wie ze het opnemen. De beste discriminatieaanpak ter wereld gaat hen dus niet helpen. Laat naast rechtse ook linkse politici daar eerlijk over zijn. Alleen wie goed is aangepast op de omstandigheden, is succesvol. Dat is geen onrecht. Niemand wordt als moderne Nederlander geboren, met alle kennis, vaardigheden en ‘soft skills’ die daarbij horen, zoals netwerken en kantoorpolitiek. Voor iedereen is het hard werken om dat te worden en van iedereen vergt dat dat je soms een deel van jezelf thuis laat. Deze competitie dwingt ons het beste uit onszelf te halen en maakt ons allemaal sterker. 

Dat laat onverlet dat het voor mensen uit families die hier al vele generaties leven gemakkelijker is dan voor wie hier relatief nieuw is. Dat er flink geld wordt uitgetrokken voor extra lesuren om kinderen met een achterstand erbij te trekken, is in het belang van het hele team. Het zou daarnaast heel goed zijn als meer Rotterdammers die succesvol zijn in de maatschappij hun kennis en ervaring beschikbaar stellen, bijvoorbeeld in een mentorprogramma. Maar dat alleen is niet genoeg. Zo is nog steeds voor slechts de helft van de Turkse en Marokkaanse ouders het Nederlands thuis de voertaal.[1]Dat zijn bewuste keuzes van volwassen mensen. Door die keuzes bouwen onze jonge teamgenootjes achterstanden op die ze nauwelijks meer zullen inhalen en het maakt de kans groter dat ze sociaal segregeren, waardoor zowel zijzelf als de rest van het team verder worden benadeeld. Daar moeten we ouders verantwoordelijk voor houden. Het zou helpen als dat niet alleen van rechtse, maar ook van linkse politici komt. 

Zelfverklaarde voorstanders van diversiteit kun je vaak horen zeggen wat een verrijking het is. Ik denk ook dat het dat kan zijn, als we bereid zijn te leren van wat superdiverse teams in bedrijfsleven en sport succesvol maakt. Eén ding delen ze allemaal: ze zijn eerlijk naar elkaar èn naar zichzelf over wat er misgaat en beter moet, en daar werken ze vervolgens compromisloos aan. Laten we daar in Team Roffa eens mee beginnen. 


[1]Sociaal Cultureel Planbureau (2016), Integratie in zicht, p.73, https://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2016/Integratie_in_zicht

Categorieën
Columns

Verschil mag er zijn. Toch?

Socialisme heeft in ons land nooit echt kans van slagen gehad. Daarvoor is het calvinisme te diep in onze volksaard ingesleten. Hier geldt niet ‘eerlijk zullen we alles delen’, maar ‘ieder moet z’n eigen boontjes doppen’. Die moraal, diepgewortelde persoonlijke verantwoordelijkheid, is de succesformule van ons land geweest. Bij tegenslag kijk je eerst wat je zelf anders had kunnen doen, in plaats van te klagen over een ander. En verschil dat je niet bevalt, is reden om jezelf omhoog te werken, in plaats van de ander naar beneden te trekken. Verschil moet er wezen, werd niet voor niets gezegd. We worden er allemaal beter van. In een wereld die steeds concurrerender wordt, en waarin onze welvaart steeds minder vanzelfsprekend is, doen we er goed aan om die moraal af te stoffen en te koesteren.

Want mag het verschil er nog wel wezen, tegenwoordig? En maakt het nog wel dat goede in ons los? Die vragen dringen zich de laatste tijd zo nu en dan aan me op. Zo ook toen we vorige week spraken over de stedelijke onderwijsplannen. Het grote doel is gelijke kansen voor ieder talent. Niet gek voor een stad die van iedereen het allerbeste nodig heeft, en waar het door achterstanden en tekorten nog lang niet lukt om dat ook van iedereen te krijgen. Er zijn verschillen, en die motiveren tot actie. We willen vooruit. So far so good.

Maar dan gaat het mis. In plaats van doelgericht de oorzaken van de verschillen aan te pakken, analyseren mijn linkse vrienden dat er in het onderwijs een toenemende ‘tweedeling’ is tussen kinderen van hoogopgeleide en kinderen van laagopgeleide ouders. De schuld wordt op voorhand resoluut buiten henzelf gelegd. Kinderen van hogeropgeleiden worden bevoordeeld, krijgen goede hoge schooladviezen en komen daardoor op een hoger eindniveau uit, en kinderen van lageropgeleiden worden voortdurend onderschat en kleingehouden en komen zo uiteindelijk onder hun eigenlijke niveau uit – of ze moeten het via de lange omweg die we ‘stapelen’ noemen doen. 

Kijk, natuurlijk is er verschil in de onderwijscarrières van kinderen van hoogopgeleide en van laagopgeleide ouders, en je kunt op je klompen aanvoelen dat dit verschil niet in het voordeel van de tweede groep uitpakt. Maar wat je, als je de onderzoeken induikt, ook ziet: het grootste deel van de mensen zit ergens tussenin. Die ‘tweedeling’ is een fictie. En dit beeld van de tweedeling leidt af.

Want die verschillen, waar komen die nou eigenlijk vandaan? Wat blijkt: opleidingsniveau of ‘het systeem’ veroorzaken het niet, maar gewoon ouderwets individueel gedrag. Er zijn hartstikke veel kinderen van laagopgeleide ouders waar het helemaal naar behoren mee gaat, en ook andersom. Waar het echt om gaat is de betrokkenheid van de ouders en de werkhouding die ze leren aan hun kind. Oftewel: hoe belangrijk maak je school voor je kind? Hoe betrokken ben je? Ga je naar de tafeltjesavond? Vraag je of het huiswerk af is en controleer je het ook? Spreek je thuis Nederlands? 

Het gaat dus niet om pech, om geluk, om onrecht, om rendementsdenken, om marktwerking of om welke andere reden dan ook die linkse politici kunnen bedenken om mensen maar niet op hun persoonlijke verantwoordelijkheid hoeven aanspreken. De verschillen in het onderwijs, die ‘tweedeling’ voor wie perse wil, is het resultaat van het gedrag van de ouders. Dus als we iets aan die verschillen willen doen, laten we dan daarbeginnen.

Voordat dat lukt zal er nog wat water door de Maas moeten. Want in plaats van het echte probleem bij de hoorns te vatten, hoor je linkse politici er zelfs voor pleiten om de bijl in de vrijwillige ouderbijdrage te zetten, om scholen ‘breder toegankelijk’ te maken. Die bijdrage moet gemaximeerd worden, vinden ze, en scholen moeten verplicht worden om luid en duidelijk te communiceren die hij vrijwillig en zeker niet verplicht is. Maar dat mensen de vrijwillige bijdrage niet als vrijblijvend ervaren is hartstikke terecht. En voor die bijdragen hoef je niet rijk te zijn, maar het onderwijs van je kind moet wel een hoge prioriteit voor je hebben. Dat is precies het punt ervan. En voor wie aantoonbaar het echt niet kan betalen, is er op elk van deze scholen potjes. Mag je als ouder het onderwijs van je kind zo belangrijk vinden dat je het perse naar een school wil sturen waar je dankzij de bijdrage zeker weet dat de andere ouders hun kind ook achter de reet aanzitten tot het huiswerk is gemaakt? Alsjeblieft zeg, natuurlijk. Sterker nog, daar kan de rest van de stad een voorbeeld aan nemen. En als dat gebeurt, is het vanzelf niet meer nodig.

Deze column is oorspronkelijk gepubliceerd op Dagblad010.nl

Categorieën
Gemeenteraad

Spreektekst debat over gelijke kansen in het onderwijs

Excuus voor verwijzingen naar pagina’s in een stuk dat u niet kent, maar ik hoop dat de inhoud desondanks te volgen is.

Voorzitter,

Allereerst wil ik de wethouder complimenteren met deze nota. Ik heb ook zijn toelichting erop in de pers met veel interesse gelezen en ik kan me goed voorstellen dat zijn persoonlijke levensloop en ervaring met het onderwijssysteem hem een sterk gevoel van missie geven. Dat zie je in deze nota terug. De wethouder knalt er stevig in, met niets minder dan kansengelijkheid als zijn doel. 

Veel ambitie op het gebied van onderwijs maakt mij als liberaal enthousiast. Ondanks de steile verbeteringscurve van het Rotterdamse onderwijs, is er nog een wereld te winnen. Niet alleen zodat alle jonge Rotterdammers nog beter terecht komen, maar ook omdat wij als samenleving een steeds kleiner deel uitmaken van een steeds competitievere wereldwijde economie. In de toekomst die op de kinderen van vandaag wacht, hebben we van iedereen het beste nodig. 

Dus veel ambitie maakt mij als liberaal enthousiast, maar deze specifieke ambitie, kansengelijkheid, maakt mij ook zenuwachtig. En hij roept wat vragen bij mij op. 

Om te beginnen: Ik deel de overtuiging dat elk kind de kansen zou moeten krijgt om zich naar zijn volle potentie te ontwikkelen. En ja, wij dragen daar collectief een deel van de verantwoordelijkheid voor, met de taak om te zorgen voor zo goed mogelijk onderwijs. Maar wij weten ook dat een heel groot deel van wat uiteindelijk iemands kansen in deze maatschappij bepaalt, ligt bij de ouders. De mate van ouderbetrokkenheid blijkt de belangrijkste voorspeller van de onderwijscarrière te zijn. Wie ouders heeft die zich goed hebben aangepast op de hedendaagse manier van leven en die hun weg in de maatschappij soepel weten te vinden, heeft een grotere kans dat zelf ook te kunnen. En naast de ouders, is er dan ook nog het kind zelf, dat met zijn of haar eigen innerlijke drive een heel grote invloed heeft op de kansen die het wel of niet krijgt. 

Dus een overheid die kansengelijkheid wil afdwingen, die moet wel heel ver gaan. Mij schieten dan ook angstbeelden van kansennivellering door het hoofd. Want aandacht voor het inhalen van achterstanden is belangrijk, maar het zijn ook de voorlopers die we in deze steeds competitievere wereld juist zo hard nodig hebben. Vergeten we bij alle aandacht voor het vijfje dat een zesje moet worden, niet dat het achtje net zoveel recht heeft op hulp om van haar een negentje te maken? Is niet dat ook kansengelijkheid? 

Ook maakt de wethouder in zijn nota gewag van een tweedeling in het onderwijs, tussen kinderen van laag- en van hoogopgeleide ouders. Hoe homogeen zijn deze beide groepen nou eigenlijk? Is deze manier van denken niet een beetje misleidend, en zit het overgrote deel van de kinderen er ergens tussenin, en zijn er niet ook genoeg kinderen met heel betrokken laagopgeleide ouders of vrijwel afwezige hoogopgeleide ouders? Lopen we met zo’n vereenvoudiging niet het risico onbedoeld veel kinderen tekort te doen? Hoe zit het in de visie van de wethouder met die enorme groep ongeveer gemiddelde kinderen, van ongeveer gemiddelde ouders? Klopt het dat ik over het verhogen van ouderbetrokkenheid waar dat nodig is maar heel weinig lees, of ze nou hoog, laag, gemiddeld of niet opgeleid zijn? 

Kan de wethouder mij, samenvattend, meer gevoel geven bij wat hij onder kansengelijkheid verstaat? En kan hij mij ermee geruststellen dat hij in alle terechte aandacht die hij heeft voor met wie het nog niet goed gaat, niet vergeet ook oog te houden voor met wie het al prima gaat maar nog beter kan? 

Specifiek zou ik hem willen vragen daar zijn plan voor het verhogen van de schoolprestaties bij te betrekken, in hoofdstuk 2. Terecht wordt gesteld dat het problematisch is dat schoolprestaties zo sterk variëren. Er wordt als oplossing daarvoor gesproken over optimalisatie en spreiding. Betekent dit in verhulde termen dat we zowel de goede als de slechte scholen een beetje meer gemiddeld gaan maken? 

Voorzitter, dan ga ik even terug naar hoofdstuk 1. Bezwijken we niet voor verkeerde verleiding als we in plaats van kinderen omhoog naar de norm te helpen, de norm naar hen verlagen? Zoals wanneer we jongeren die gezakt zijn voor de HAVO, al naar het HBO laten gaan, terwijl docenten die ik spreek nu al bezorgd zijn over rijpheid en taalvaardigheid van de jongeren die ze moeten onderwijzen in toegepaste wetenschap. Wie helpen we nou echt als we dit doen? Vergroot het niet de kans op uitval, als we jongeren een stap laten maken waar ze eigenlijk nog niet klaar voor zijn? En is dit plan überhaupt realiseerbaar? En als de gemeente hier beleidsruimte heeft, helpt het dan niet veel meer om dat jaar waarin nog één HAVO-vak gehaald moet worden, in te zetten als breder rijpings- en vormingsjaar? 

Voorzitter, dan wil ik de wethouder ronduit complimenteren met de wijze waarop de werkwijze burgerschap in zijn nota is uitgewerkt. Dit is hoe mijn fractie het graag ziet. Twee vragen hierover: het element ‘kennen’ vinden wij ongelofelijk belangrijk, ook omdat ze in onze ogen voorwaardelijk zijn om aan de andere drie elementen goed invulling te kunnen. Kan de wethouder verzekeren dat dat element van kennisoverdracht ook in de praktijk ruimschoots aan bod komt? En daarnaast: uit het spraakmakende rapport Twee werelden, twee werkelijkheden bleek hoe moeilijk het soms voor leraren is om gevoelige onderwerpen bespreekbaar te maken en hoe belangrijk het is dat zij zich in die situaties ten volle gesteund voelen. Hoe zorgen we daarvoor? 

Dan ten slotte twee opmerkingen bij hoofdstuk 6, van onderwijs naar arbeidsmarkt. Mijn fractie mist hierin duidelijk een nauwere verbinding met de maritieme sector en onze haven in het bijzonder. Daarnaast hecht mijn fractie zoals u weet zeer aan het vergroten van de nadruk op digital skills is het onderwijs, vanaf de basisschool. Voor het uitwerken van de digideal wordt aangesloten bij het Rotterdam Techniek en Technologie Pact. Kan de wethouder uitleggen waarom deze koppeling verstandig is?

Ik dank u wel. 

Categorieën
Essays

Een jaar debat over diversiteit

Op het valse populisme van Wilders en Baudet wordt terecht al lange tijd een felle lamp geschenen. Ze maken misbruik van onvrede van mensen voor zondebokpolitiek die onze samenleving en ons land ondermijnt. Het is, nu aan het eind van 2018, hoogtijd dat we dit óók doen bij de valse profeten op links, die evenzeer misbruik maken van onvrede van mensen om de samenleving op te delen in een wij en een zij, en meer kapot maken dan ons lief is. 

Het lijkt alweer een eeuwigheid geleden, maar begin dit jaar stond ik op het podium van een Rotterdamse mbo-school om met collega-kandidaatraadsleden en jongeren van de school te debatteren over onze stad. Na afloop schoot een jongedame me aan. Ze was het de volle anderhalf uur die het debat duurde met me oneens geweest en vertelde me, met de niet te miskennen voldane ondeugendheid die hoort bij een kleine maar dappere daad van verzet, dat in haar klas niemand de politie vertrouwt. Want, zo wierp ze me monter voor te voeten, ze hebben allemaal echt wel de filmpjes gezien van politiegeweld tegen zwarte mensen.

Dat deze ideeën goed blijven plakken en zich snel verspreiden is niet gek, want ze bieden een simpele verklaring voor het feit dat sommigen welvarender zijn dan anderen, die de schuld bovendien bij een ander legt. Dat helpt niet, maar het ruimt wel lekker op. 

Bovendien is het in toenemende mate een favoriete verhaallijn voor nogal wat politici en activisten, die onderdeel zijn van of zich verwant voelen aan de social justice warriors uit de Verenigde Staten. Wat zij in Nederland voor het gemak of uit onbezonnenheid vergeten, is dat de feiten over welvaartsverschillen, over kansengelijkheid, over politiegeweld en over racisme hier 180 graden anders liggen dan daar. 
Dat bleek ook tijdens het debat, waar het multiculturele publiek door enkele andere politici werd verteld dat VIGOR-controles (ook bekend als ‘patsercontroles’), waarmee criminelen worden aangepakt die pronken met hun illegaal verkregen goederen, discriminerend zijn en gericht zijn tegen mensen zoals zij. Hiermee perverteren ze het jonge publiek in één moeite op drie manieren. 

Allereerst gaan ze deze patsercontroles als onrechtvaardig zien, terwijl als iemand er uiteindelijk van profiteert wanneer criminelen van straat worden gehaald die jongeren het verkeerde pad op verleiden, juist zij het zijn. Ten tweede wordt een gevoel van verbondenheid opgeroepen tussen het jonge publiek en de criminelen tegen wie de controles gericht zijn, want hen wordt verteld dat ze tot dezelfde groep behoren, namelijk de slachtoffers van het systeem. En ten derde wordt en passant de indruk gewekt dat bij de politie aan de lopende band wordt gediscrimineerd, terwijl daar geen enkel bewijs voor is. 

Kunnen vertrouwen op de integriteit van de politie is wel een voorwaarde om ontspannen in onze maatschappij te kunnen leven. Maar bovenal wordt zo elke keer opnieuw een dreun gegeven op de geïmporteerde wig die onze samenleving wil opdelen in wit en zwart, onderdrukkers en onderdrukten. Het kan uit cynisme zijn of uit onbezonnenheid, maar op het altaar van de politieke populariteitsstrijd sneuvelt zo veel dat het beschermen waard is.

Elke keer weer krijgt de samenleving een dreun als die wordt opgedeeld in wit en zwart, onderdrukkers en onderdrukten. De herinnering hieraan stond me scherp voor de geest tijdens de laatste vergadering van de gemeenteraad van dit jaar. Wethouder Wijbenga moest op het matje komen voor een onhandige uitspraak in de krant. Hij had onder meer gezegd dat de collega’s van Denk hem een racist vinden en zij vonden dat op hun beurt een abjecte leugen. Waar hadden zij dat dan let-ter-lijk gezegd?, wilden ze verbeten van hem weten. 

Letterlijk ‘u bent een racist’ hadden ze, tijdens het Zwarte Pietendebat waar het natuurlijk over gaat, inderdaad ook niet gezegd. Ze kijken wel uit. Maar het gevoel van Wijbenga dat ze hem een racist vinden, kun je hem niet euvel duiden. Ze hadden immers uitgebreid en met grote stelligheid betoogd dat Zwarte Piet racistisch is en dat het bevieren van Zwarte Piet een racistische traditie is. Maar wacht eens, als je mijn traditie waar ik zo van hou racistisch vindt, hoe kun je mij dat dan niet vinden? Dat is toch een logische gevolgtrekking? 

En zelfs als je dan toch iets met hen zou willen meebewegen, dan blijft staan dat juist gekozen politici, die hoog van de toren blazen over verbinding, zich moeten realiseren dat zo’n semantisch onderscheid dat in de eigen schijnbaar ivoren toren nog net te volgen is, helemaal nergens op slaat als het in de samenleving neerdaalt. Dus ook niet bij de wethouder of bij mij. Daar is de boodschap helder: u vindt mij een racist, punt uit. Zeker in de context van het bredere maatschappelijke debat erover. Anderen zijn afgelopen maanden immers nog een stuk verder gegaan en hebben Zwarte Piet neergezet als bewijs van een diepgeworteld institutioneel racisme, helemaal in lijn met de ideeënleer van Social Justice Warriors.

Pikant is dat hiermee juist de grootste bewierrokers van de diversiteit en het multiculturalisme, waarvan toch de essentie is dat verschillende perspectieven op voet van gelijkwaardigheid naast elkaar moeten kunnen bestaan, op deze manier één perspectief, het hunne, verabsoluteren. 

Opnieuw is onduidelijk of dit voortkomt uit cynisme of uit onbezonnenheid, maar zijn de gevolgen fors. Want bij heel veel Nederlanders groeit de verontwaardiging over dit zware verwijt, neemt de zin om zich eens in de ander te verdiepen af, en rijst de vraag of zwarte mensen in hun omgeving hen nu eigenlijk óók een racist vinden, met een verkramping in de omgang als gevolg. 

En omgekeerd zullen veel zwarte mensen zich afvragen of het klopt dat Zwarte Piet racistisch is en of zoveel blanke Nederlanders hen inderdaad minderwaardig vinden. Bovenal wordt huidskleur zo opeens weer heel belangrijk, waar het dat in de beleving van velen lange tijd juist steeds minder was. Terwijl Zwarte Piet, althans bij de officiële intocht, nota bene al lang en breed wordt uitgefaseerd en volgend jaar helemaal nauwelijks meer bestaat! 

De vraag is dan terecht waarom deze ideeën er toch in gaan als klokspijs? Ik ben er hoe langer hoe meer van overtuigd dat het ten diepste gaat over ongelijkheid. Of beter gezegd: over hoe we over ongelijkheid denken en ermee omgaan. Wij leven zoals u weet in een liberale democratie, met een kapitalistische economie. De essentie daarvan is dat mensen in grote mate vrij zijn om te leven zoals ze willen. Hoe goed je je best doet op school, wat voor werk je doet, hoeveel je werkt, wat je in je vrije tijd doet, hoeveel vrije tijd je jezelf gunt, met welke mensen je omgaat, hoezeer je je aanpast aan mensen om je heen, of je het aandurft een bedrijf te starten, of je verstandig met je geld omgaat, of je heel zuinig doet en spaart om een huis te kopen of juist liever blijft huren, hoe goed je je tijd gebruikt, hoe gezond en fit je jezelf houdt, hoe je je kinderen opvoedt, je bent er allemaal vrij in.

Die vrijheid koesteren we allemaal zeer. Ik ken geen Nederlander die ook maar een greintje vrijheid, op welke van deze punten dan ook, zou willen inleveren. Maar nu komt het: deze vrijheid heeft wel als onvermijdelijk gevolg dat de levens van mensen er heel verschillend uit gaan zien, met grote verschillen in kwaliteit van leven en welvaart. Zeker, omdat je als kind de achterstand of de voorsprong van je ouders met je meekrijgt. Het bouwt dus op. Bovendien zien we dankzij het internet en sociale media meer dan ooit de levens van anderen, en zijn er inmiddels enkele generaties Nederlanders opgevoed met het idee vooral rechten en niet zoveel plichten te hebben. En dan begint de schoen te wringen. 

Mensen zijn ontevreden met waar hun leven in vergelijking met anderen achterblijft en op dat moment komt er een politicus of activist langs die zegt: ”Je hebt helemaal gelijk dat je zo boos bent, jij hebt ook recht op die welvaart, maar je wordt gediscrimineerd, ze onderdrukken je, en het is nog veel erger dan je denkt, want kijk maar eens naar de patsercontrole en Zwarte Piet  . . . . ” 

En dan zegt een politicus of activist ineens: ‘Je hebt helemaal gelijk dat je zo boos bent, jij hebt óók recht op die welvaart, maar je wordt gediscrimineerd, ze onderdrukken je, en het is nog veel erger dan je denkt, want kijk maar eens naar de patsercontrole in Rotterdam en landelijk naar het bestaan van Zwarte Piet.’ 

Zo wordt nu van volstrekt gerechtvaardigde ongelijkheid, die namelijk onlosmakelijk bij onze vrijheid hoort, onrecht gemaakt. Onrecht dat door de social justice warriors en hun verwanten uitgedrukt wordt als de systematische onderdrukking van de ene groep door een andere. 

Ten overvloede zeg ik daar gelijk bij: nee, uit helemaal niets blijkt dat verschillen in welvaart in Nederland ook maar enige causale relatie hebben met huidskleur of afkomst. Uit helemaal niets blijkt dat er daadwerkelijk sprake zou zijn van een systematische onderdrukking van groepen. Er is veel meer reden om aan te nemen dat de verschillen tussen autochtone Nederlanders onderling minstens zo groot zijn of zelfs nog groter dan tussen de groep autochtone Nederlanders als geheel en andere groepen. 

Als je naar afkomst zou kijken, geldt waarschijnlijk dat de verschillen binnen groepen in alle gevallen groter zijn dan de verschillen tussen groepen. En waar er al verschillen tussen groepen zijn, is er geen enkel bewijs voor dat die worden veroorzaakt door stelselmatige discriminatie. 

Begrijpelijke onvrede over ongelijkheid wordt zo gekanaliseerd richting boosheid over onrecht en op onze Westerse maatschappij, terwijl die onvrede juist de motor van de eigen vooruitgang zou kunnen en moeten zijn. Juist die onvrede levert de motivatie op om het vele en harde werk te doen dat het van iederéén vergt, ongeacht je afkomst. Om de concurrentie met anderen te winnen, ongeacht je afkomst. En jezelf op de maatschappelijke ladder omhoog te vechten, ongeacht je afkomst. 

Maar jongeren die ontevreden zijn en vooruit willen, krijgen nu te vaak die peptalk niet te horen. Die krijgen te vaak niet te horen dat als er ooit ergens een plek en een tijd was waarin iedereen alle middelen krijgt om z’n dromen na te jagen, dat dat wel het Nederland van vandaag is. Die krijgen te vaak niet te horen dat je, net zoals ik vroeger, bij elke tegenslag eerst naar jezelf moet kijken en dat er – zelfs als die tegenslag echt helemaal aan een ander ligt, wat bijna nooit zo is – er altijd voor jezelf een belangrijke les in zit. 

Nee, die horen nu dat ze worden gediscrimineerd, dat het zo moeilijk voor ze zal zijn dat ze zich de moeite van de poging bijna eigenlijk wel kunnen getroosten. Onder het mom van opkomen voor de zwakken of de onderdrukten, uit cynisme of uit onbezonnenheid, wordt zo het maatschappijmodel dat ons zoveel welvaart brengt steeds verder ondermijnd. 

Als dit op zichzelf niet belangrijk genoeg is, kijk dan eens uit het raam en zie wat er in de wereld aan het gebeuren is, en weet: we worden aan alle kanten bij- en ingehaald en als we niet uitkijken zijn we over twintig jaar definitief veranderd van speler in speelbal. Het Westen verbrokkelt, opkomende economieën groeien als kool, China is al bijna het machtigste land van allemaal. Als teken aan de wand schijnen de honours trajecten op onze universiteiten al vol te zitten met lui die hier kennis komen halen om elders in te zetten. Nederlanders zie je er naar verluidt nauwelijks meer, want die zijn onvoldoende gemotiveerd. 

En ondertussen liggen wij hier binnen vooral met elkaar overhoop, over goeddeels geïmporteerde, enorm opgeblazen of zelf compleet verzonnen problemen, en wordt een groot deel van de samenleving wijsgemaakt, dat ze door de rest als tweederangsburger worden gezien en dat hard werken waarschijnlijk geen zin heeft. Juist op het moment dat we z’n allen op z’n sterkst en meest eensgezind zouden moeten zijn om het tij nog te keren. Juist op het moment dat iedereen zijn afkeer van ongelijkheid zou moeten kanaliseren richting werklust, optimisme en vooruitgangsdrift. 

Is dat handig? Nee, dat is niet handig. Dat is spelen met vuur. 

Ik vraag het iedereen netjes: zullen we dit komend jaar anders doen? 

Categorieën
Columns

In gelul kun je niet wonen

‘In gelul kun je niet wonen’, zei het Amsterdamse raadslid Jan Schaefer ooit. Daarmee gaf hij mooi aan dat er nog wel eens spanning bestaat tussen wat politici zeggen en wat ze doen. Want hoewel praten een groot onderdeel van het werk is, zijn politici er natuurlijk uiteindelijk om beslissingen te nemen en om dingen voor elkaar te krijgen. Ze zijn er niet om over huizen te praten maar om ze te bouwen, in het voorbeeld van Schaefer. 

Daar zal iedereen het mee eens zijn, maar toch is er ook in de Rotterdamse politiek een eigenaardige spanning tussen het zeggen en het doen en tussen wat daarover wordt beweerd en de realiteit. Het korte politieke seizoen sinds de verkiezingen heeft wat dat betreft al een paar interessante gevallen opgeleverd. 

Als eerste schiet dan natuurlijk de coalitievorming te binnen. Er wordt gezegd dat kiezers buitenspel zijn gezet, maar ook voor rechtse kiezers die niet op de VVD hebben gestemd zitten in de middencoalitie eigenlijk alle belangrijke punten. Allereerst kunnen wij 168 van de 200 actiepunten uit ons verkiezingsprogramma gaan uitvoeren. Daar komen nog heel veel van de to do’s bij die we tijdens de campagne aan voordeuren hebben opgehaald. 
Bovendien hebben we op veiligheids- en integratiegebied nog veel belangrijke verbeteringen in het akkoord gekregen, zoals een stop op opruiende buitenlandse politieke bijeenkomsten en gebiedsverboden voor haatpredikers. 

Men kan er als partijen de pest over in hebben dat zij niet degenen zijn die het beleid uitvoeren, maar luidkeels en met veel misbaar roepen dat kiezers buitenspel zijn gezet is gewoon onjuist. Er gaat ongelofelijk veel voor ze worden gedaan

Een ander interessant voorbeeld is de kwestie De Evenaar. Lang verhaal kort: De Evenaar is een oud verzorgingshuis in Oosterflank, waar met een nieuwe invulling o.a. 35 licht psychologische patiënten worden gehuisvest. Omdat er al overlast is van een naburige verslavingsopvang, is een flink deel van de omwonenden tegen dit plan. Zo ook in eerste instantie wij, omdat het er lang op leek dat er inderdaad kans op meer overlast zou zijn. 

Die vrees bleek deels te berusten op een verkeerd beeld van het soort mensen dat er gaat worden opgevangen. Daarnaast komen er talloze verbeteringen voor de wijk en, op ons voorstel, een stevig veiligheidspakket. De overlast in de wijk gaat zo eerder flink af dan een beetje toenemen en Oosterflank wordt alles bij elkaar zo’n beetje de veiligste wijk van Rotterdam. 

Als je dat voor elkaar kunt krijgen, dan moet je het doen – ondanks dat het in de media minder lekker bekt en het niet is wat de omwonenden wilden horen. En dus ging ook in dit geval een aantal partijen met veel theater luid en duidelijk ‘aan de kant van de omwonenden staan’, maar nam een beslissing die recht tegen hun belang in gaat: men stemde tegen het plan, wat voor de omwonenden nog meer onzekerheid en geen van al de verbeteringen in de wijk zou betekenen. 

De moraal van beide verhalen: in een tijd waarin politici er steeds vaker voor kiezen om mensen met ronkende taal naar de mond te praten, is het interessant om eens stil te staan bij wat hun beslissingen eigenlijk zeggen. Wat dan blijkt is dat degene die het hardst roept dat hij voor je opkomt, niet altijd degene is die dat met zijn beslissingen ook echt doet. Sterker nog: meestal niet. Dat is belangrijk om te weten, want Schaefer had groot gelijk – en dat heeft hij nog steeds.